C-235/21 RAIFFEISEN LEASING  

Contentverzamelaar

C-235/21 RAIFFEISEN LEASING  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 juni 2021
Schriftelijke opmerkingen:                      4 augustus 2021

Trefwoorden : btw-richtlijn; factuur; overeenkomst

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Verzoekster (Raiffeisen leasing) heeft met de vennootschap RED een financiële-leaseovereenkomst en een overeenkomst voor de verkoop van onroerend goed gesloten (sale-and-lease back-transactie). RED was eigenaar van een perceel grond waarop een oud pand met woonbestemming stond. Zij wilde daarop een nieuw pand bouwen. De partijen zijn overeengekomen dat verzoekster het pand van RED zou kopen, en dat RED vervolgens de leasetermijnen zou betalen tot aan een bedrag gelijk aan de waarde van de bestaande grond en de nieuwe panden. In deze overeenkomst was tevens de btw vermeld. Verzoekster heeft aan RED geen (specifieke) factuur op basis van de overeenkomst uitgereikt en heeft geen btw aangegeven of betaald. Op basis van deze overeenkomst heeft RED haar recht op btw-aftrek uitgeoefend alsof de overeenkomst een factuur was, die zij in haar btw-aangifte heeft opgenomen. Vervolgens hebben de twee vennootschappen op 22-11-2007 een koopovereenkomst gesloten, en RED heeft eveneens een factuur inclusief btw aan verzoekster uitgereikt. In november 2007 heeft verzoekster op grond van de koopovereenkomst haar recht op btw-aftrek uitgeoefend. Op 21-02-2011 is de overeenkomst met wederzijdse instemming beëindigd. Verzoekster heeft het onroerend goed vervolgens doorverkocht voor een prijs inclusief btw. Op 25-07-2014 is aan RED een definitief besluit betekend waarin werd vastgesteld dat zij geen recht op btw-aftrek op grond van de overeenkomst heeft. Bij een belastingcontrole werd vastgesteld dat verzoekster (1) de btw op grond van de overeenkomst had moeten aangeven en (2) geen gebruik had mogen maken van haar recht op aftrek op grond van de koopovereenkomst. In administratief beroep heeft het ministerie van Financiën de klacht van verzoekster ongegrond verklaard en het besluit van de belastingautoriteit bevestigd. Verzoekster heeft beroep in rechte ingesteld, dat door de bestuursrechter is verworpen. Verzoekster heeft beroep tot cassatie ingesteld.

Overweging:

Aangezien het antwoord op de vraag of de overeenkomst in casu als factuur kan worden aangemerkt, afhangt van de juiste uitlegging van artikel 203 van de btw-richtlijn, dient de verwijzende rechter het Hof een vraag over de uitlegging van deze richtlijn voor te leggen.

Prejudiciële vragen:

1. Kan een schriftelijke overeenkomst uitsluitend als een factuur in de zin van artikel 203 van de btw-richtlijn worden aangemerkt indien zij alle in hoofdstuk 3 („Facturering”) van die richtlijn voorgeschreven vermeldingen voor een factuur bevat? Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt,

2. wat zijn de vermeldingen of de omstandigheden op grond waarvan een schriftelijke overeenkomst in elk geval (tevens) kan worden aangemerkt als een factuur waaruit een verplichting tot afdracht van btw in de zin van artikel 203 van de btw-richtlijn voortvloeit? Of, meer bepaald,

3. kan een schriftelijke overeenkomst tussen twee btw-plichtigen betreffende een levering van goederen of een verrichting van een dienst worden aangemerkt als een factuur in de zin van artikel 203 van de btw-richtlijn indien daaruit uitdrukkelijk en op objectief kenbare wijze blijkt dat de verkoper of dienstverrichter als contractpartij voor een bepaalde handeling een factuur wilde uitreiken op grond waarvan de afnemer redelijkerwijs kon veronderstellen dat hij op basis daarvan de voorbelasting in aftrek kon brengen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-566/07;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal