C-236/23 Matmut

Contentverzamelaar

C-236/23 Matmut

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:   19 juli 2023
Schriftelijke opmerkingen:          5 september 2023   

Trefwoorden: nietigheid van de wettelijkeaansprakelijkheidsverzekeringsovereenkomst

Onderwerp: artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 en artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 en de artikelen 3 en 13 van richtlijn 2009/103 van de Raad van 16 september 2009.

Feiten:

heeft BC een motorrijtuigenverzekering afgesloten bij de verzoekende partij Mutuelle assurance des travailleurs mutualistes (hierna: “MATMUT”), waarbij hij heeft verklaard de enige bestuurder van het verzekerde voertuig te zijn. Echter heeft zich met dit voertuig een verkeersongeval voorgedaan terwijl het voertuig werd bestuurd door de verwerende partij  TN, die onder invloed van alcohol was. TN is onder meer schuldig bevonden aan onopzettelijke verwondingen door een bestuurder van een motorvoertuig onder invloed van alcohol, met als gevolg arbeidsongeschiktheid van meer dan drie maanden van BC.

MATMUT heeft zich beroepen op de exceptie van nietigheid van de overeenkomst wegens de onjuiste verklaring van BC over de identiteit van de gebruikelijke bestuurder, verzocht om niet langer bij de zaak te worden betrokken, en verzocht dat de schade van BC ten laste wordt genomen door het garantiefonds voor verplichte schadeverzekeringen (hierna: “FGAO”). Dit beroep van MATMUT is bevestigd door de rechter in eerste aanleg. Tegen dit vonnis heeft TN hoger beroep ingesteld. De rechter in tweede aanleg heeft het vonnis grotendeels bevestigd, hij heeft echter geweigerd om te verklaren dat MATMUT niet langer bij de zaak diende te worden betrokken en verklaard dat de beslissing aan MATMUT kon worden tegengeworpen. Hiertegen heeft MATMUT cassatieberoep ingesteld met TN, en zijn verzekeraar MAAF, alsmede BC, en het FGAO, als verweerders.

Overweging:

Volgens artikel L. 113-8 van het Franse verzekeringswetboek is de verzekeringsovereenkomst nietig in geval van het achterhouden van informatie of van een opzettelijk onjuiste verklaring door de verzekerde, op voorwaarde dat aan een aantal voorwaarden is voldaan. De verwijzende rechter is echter, na een kentering in de rechtspraak in 2019, van oordeel dat uit de artikelen L. 113-8 en R. 211-13 volgt dat de nietigheid niet kan worden tegengeworpen aan slachtoffers van een verkeersongeval of hun rechtverkrijgenden en dat het FGAO in een dergelijk geval niet kan worden verplicht het slachtoffer schadeloos te stellen. Sindsdien volgt uit artikel L. 211-7-1, die is vastgesteld om het verzekeringswetboek in overeenstemming te brengen met het Unierecht, dat de nietigheid van een verzekeringsovereenkomst voor motorrijtuigen niet kan worden tegengeworpen aan slachtoffers van schade als gevolg van een verkeersongeval, of aan hun rechtverkrijgenden, en dat in een dergelijk geval de verzekeraar die de wettelijke aansprakelijkheid voor het betrokken voertuig dekt, verplicht is hen schadeloos te stellen.

De verwijzende rechter vraagt zich daarom af of, ingeval de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst niet kan worden tegengeworpen aan het slachtoffer dat tevens verzekeringnemer is, de verzekeraar zonder het Unierecht te schenden tegen hem een vordering kan instellen op grond van de opzettelijke fout die bij het sluiten van de overeenkomst is begaan, teneinde terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die hij hem ter uitvoering van de overeenkomst heeft betaald. Volgens de verwijzende rechter is de ondertekenaar van een wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen die vrijwillig onjuiste verklaringen aflegt daardoor aansprakelijk jegens de verzekeraar en is hij in geval van nietigverklaring van die overeenkomst wegens een opzettelijk onjuiste verklaring verplicht om de verzekeraar de door hem aan het slachtoffer betaalde schadevergoeding terug te betalen. Daarentegen zou de vaststelling dat de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst wel aan een dergelijk slachtoffer kan worden tegengeworpen, naar Frans recht tot gevolg hebben dat het FGAO dient over te gaan tot schadeloosstelling, aangezien het verzekeringswetboek in dat geval voorziet in de tussenkomst van dit fonds ten behoeve van het slachtoffer van een verkeersongeval en zijn rechtverkrijgenden.

Prejudiciële vraag:

Moeten de artikelen 3 en 13 van richtlijn 2009/103 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat aan de passagier die het slachtoffer is van een ongeval, de nietigheid van de wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen kan worden tegengeworpen wanneer deze passagier tevens de verzekeringnemer is die bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst opzettelijk een onjuiste verklaring heeft afgelegd die tot die nietigheid heeft geleid?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-537/03; Churchill Insurance Company en Evans, C-442/10;, C-300/10; C-409/11; Fidelidade-Companhia de Seguros, C-287/16;, C-503/16, C-923/19.

Specifiek beleidsterrein: JenV