C-245/21 en C-248/21 Bundesrepublik Deutschland e.a.

Contentverzamelaar

Terug C-245/21 en C-248/21 Bundesrepublik Deutschland e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     29 juni 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     15 augustus 2021

Trefwoorden : migratie; overdracht; COVID-19; termijn; opschorting;

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze  bij een van de lidstaten wordt ingediend (Dublin III-Verordening);

Feiten:

De feiten en de motivering van zaak C-248/21 komen in wezen overeen met en de prejudiciële vragen zijn dezelfde als die in zaak C-245/21. Verzoekers, Iraanse staatsburgers, verzochten in november 2019 om erkenning als asielgerechtigde. Uit EURODAC bleek dat verzoekers reeds op 14-10-2019 illegaal Italië waren binnengekomen en daar zijn geregistreerd als personen die bescherming zoeken. Op 19-11-2019 heeft de Duitse federale dienst voor migratie en vluchtelingen (Bundesamt) aan Italië een verzoek tot overname gericht, dat onbeantwoord is gebleven. Bij besluit van 22-01-2020 heeft het Bundesamt de asielverzoeken niet-ontvankelijk verklaard en heeft het de verwijdering naar Italië gelast. Hiertegen hebben verzoekers op 01-02-2020 beroep ingesteld. Het verzoek van de tweede verzoekster tot erkenning dat het ingestelde beroep opschortende werking heeft, is door de bestuursrechter in eerste aanleg afgewezen bij besluit van 11-02-2020. Bij brief aan verzoekers van 08-04-2020 heeft het Bundesamt de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel tot nader order opgeschort omdat overdrachten niet mogelijk waren vanwege de COVID19-pandemie. Deze verklaring zou van kracht blijven tot de herroeping ervan. Bij de bestreden beslissing van 14-08-2020 heeft het Verwaltungsgericht het besluit van het Bundesamt nietig verklaard. Ter motivering van haar rechtstreeks beroep tot Revision voert verweerster aan dat de Dublin III-verordening niet uitsluit dat er in het kader van een aanhangig rechtsmiddel tegen het overdrachtsbesluit, tegelijk sprake kan zijn van een begeleidende toetsing door de overheid, die overeenkomstig artikel 27(3) Dublin III-verordening opschortende werking heeft. Tegen de rechtmatigheid van de opschorting van de tenuitvoerlegging van 08-04-2020 pleit evenmin dat deze van kracht is tot nader order respectievelijk onder voorbehoud.

Overweging:

Het beroep kan alleen slagen wanneer de opschorting van de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel, die door de overheid is gelast omdat overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat door de COVID-19-pandemie (tijdelijk) feitelijk onmogelijk is, niet leidt tot een onderbreking van de overdrachtstermijn krachtens artikel 29(1) Dublin III-verordening. De verwijzende rechter vraagt zich echter af of de door het Bundesamt bij besluit van 08-04-2020 gelaste opschorting van de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel, binnen de werkingssfeer valt van artikel 27(4) Dublin III-verordening en kan leiden tot een onderbreking van de overdrachtstermijn krachtens artikel 29(1) Dublin III-verordening.

Prejudiciële vragen C-245/21 en C-248/21 zijn identiek

1. Valt de opschorting van overheidswege van de tenuitvoerlegging van het overdrachtsbesluit, welke opschorting kan worden herroepen en waartoe alleen is besloten omdat overdracht wegens de COVID-19-pandemie feitelijk (tijdelijk) niet mogelijk is, tijdens een gerechtelijke beroepsprocedure binnen de werkingssfeer van artikel 27, lid 4, Dublin III-verordening?

2. Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: leidt een dergelijk opschortingsbesluit tot een onderbreking van de overdrachtstermijn van artikel 29, lid 1, Dublin III-verordening?

3. Indien de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: Is dat eveneens het geval wanneer een rechterlijke instantie vóór het uitbreken van de COVID-19-pandemie een verzoek van degene die om bescherming verzoekt om krachtens artikel 27, lid 3, onder c), Dublin III-verordening de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep, heeft afgewezen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-181/16; C-19/08; C-60/16; C-579/18;

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB; JenV