C-245/24 LUKOIL Bulgaria et LUKOIL Neftohim Burgas

Contentverzamelaar

C-245/24 LUKOIL Bulgaria et LUKOIL Neftohim Burgas

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    10 juni 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    27 juli 2024


Trefwoorden: Misbruik van machtspositie; bundeling van gedragingen; Bronner-toets

Onderwerp: 
-    Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie: artikelen 102 en 267.
-    Handvesten van de grondrechten van de Europese Unie: artikelen 41 en 47. 
-    Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102] van het Verdrag: artikelen 3 en 27. 

Feiten:
De Bulgaarse mededingingscommissie (KZK) verwijt twee Bulgaarse bedrijven (Lukoil Neftohim Burgas (LNB) en Lukoil Bulgaria (LB)) misbruik te hebben gemaakt  van hun machtspositie op de markt voor brandstofopslag. Zij worden onder meer verweten  importeurs en brandstofproducten geen toegang te hebben verleend tot haar eigen belastingentrepots en toegang te weigeren tot de pijpleidingen voor aardolieproducten van de groep voor het transport van brandstoffen van andere producenten en importeurs. LNB  is de belangrijkste Bulgaarse producent voor aardolieproducten en beschikt nagenoeg alle  olieopslagplaatsen en pijplijninfrastructuur. LB houdt zich onder andere bezig met groot- en detailhandel in brandstoffen en aardolieproducten, transport en expeditie. LB beschikt over drie accijnsenterpots op het nationaal grondgebied. 

Overweging:
De KZK vindt dat sprake is van  misbruik van machtspositie. In haar  besluit voegt de KZK volgens de verwijzende rechter twee inbreuken samen, zonder voor elke inbreuk de relevante en betrokken markt vast te stellen. In dat verband  rijst  de vraag of het recht van verdediging wordt geschonden door het feit dat twee inbreuken worden aangevoerd zonder dat de relevante markten en alle relevante omstandigheden voor de respectievelijke inbreuken zijn onderzocht. Verder twijfelt de  verwijzende rechter of de zogeheten  Bronner-toets in het licht van het eigendomsrecht van de betrokken ondernemingen, de vrijheid van ondernemerschap en het evenredigheidsbeginsel van toepassing is in deze zaak. 

Prejudiciële vragen:

1. Wanneer de nationale mededingingsautoriteit verschillende gedragingen heeft vastgesteld, waarvan sommige zijn aangemerkt als weigering van toegang tot een essentiële faciliteit en andere als een handelsbeperking, maar die zijn samengebracht in een algemene strategie van de onderneming, is het dan geoorloofd om één enkele inbreuk op artikel 102 VWEU vast te stellen of moeten afzonderlijke inbreuken worden vastgesteld, die worden gekwalificeerd als weigering van toegang tot een essentiële faciliteit of als handelsbeperking? 

2. Moet de mededingingsautoriteit de toepassing van de Bronner-toets met betrekking tot de vermeende inbreuk op artikel 102 VWEU in de vorm van een leveringsweigering (refusal to supply) uitsluiten in alle gevallen waarin de onderneming met een machtspositie met betrekking tot de essentiële infrastructuur (essential facility) overheidsmiddelen heeft ontvangen (op basis van een privatiseringsovereenkomst/concessie) of is een beoordeling vereist van het bedrag van de investering, de uitvoering van de privatiseringsovereenkomst/concessie (op basis waarvan de essentiële infrastructuur is verworven) en van de vraag of de investering is gedaan in verband met de uitvoering van de investeringsovereenkomst/concessie of op eigen initiatief? 
2.1 Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel, zoals dat naar voren komt in [punt 75 van] de richtsnoeren betreffende de handhavingsprioriteiten van de Commissie bij de toepassing van artikel 102 [...] VWEU (hoofdstuk [„IV.][D. Weigering tot levering en marginsqueeze”]), gewaarborgd in het geval van de toepassing van beperkende criteria die zijn vastgesteld op basis van het beginsel van „absolute noodzakelijkheid” voor de handhaving van de mededinging, met passende inachtneming van de belangen van de onderneming met een machtspositie, wanneer de onderneming met een machtspositie heeft geïnvesteerd in de essentiële infrastructuur (essential facility)? 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-7/97, Bronner; T-814/17, Lietuvos geležinkeliai/Commissie; C-42/21 P, Lietuvos geležinkeliai/Commissie; C-349/07, Sopropé; C-141/08 P, Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware / Raad. 
Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten