C-249/24 Ineo Infracom

Contentverzamelaar

C-249/24 Ineo Infracom

Prejudiciële hofzaak    

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    5 juni 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    22 juli 2024

Trefwoorden: ontslag

Onderwerp: Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 198 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, artikelen 1 en 2

Feiten:
Verzoekende partijen zijn RT en ED, die beiden cassatieberoep hebben ingesteld tegen twee arresten in geschillen tussen hen en de vennootschap Ineo Infracom, verweerster in cassatie. De cassatieberoepen zijn gevoegd. Ineo Infracom heeft RT en ED aangeboden om vanaf 1 juli 2013 tijdelijk in andere regio’s te worden tewerkgesteld vanwege beëindiging van een overeenkomst met een derde. RT en ED hebben deze wijzigingen geweigerd en daarop een vordering tot gerechtelijke beëindiging van hun arbeidsovereenkomst ingediend. Omdat geografische herplaatsing van bouwpersoneel regelmatig voorkwam, en er geen vermindering van het personeelsbestand werd overwogen, sloten werkgever en representatieve werknemersorganisaties een mobiliteitsovereenkomst op 29 juli 2023. RT en ED werd op basis daarvan twee nieuwe posten aangeboden, die zij weer afwezen. In juni 2014 werden zij om economische redenen ontslagen waarna ze een subsidiaire vordering instelden om hun ontslag aan te vechten. De arbeidsrechter heeft de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van RT ten laste van de werkgever bevolen, de werkgever veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de werknemer en de vorderingen van ED afgewezen. In hoger beroep heeft de cour d’appel de uitspraak aangaande RT vernietigd, de vorderingen van RT alsnog afgewezen en de uitspraak aangaande ED bevestigd. Hierop is cassatie gevolgd.

Overweging:
De cour de cassation (verwijzende rechter) stelt dat op dezelfde wijze wordt beslist over een ontslag op grond van de weigering van een werknemer om de bepalingen van mobiliteitsovereenkomst op zijn arbeidsovereenkomst te doen toepassen, als over een individueel ontslag om economische redenen. Vanwege dit feit wordt de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de procedure voor het informeren en raadplegen van de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging uitgesloten, wanneer de werkgever van plan is om collectieve ontslagen om economische redenen uit te voeren waarbij ten minste tien werknemers binnen dezelfde periode van dertig dagen betrokken zijn.

Prejudiciële vragen:
1) Moet artikel 1, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 98/59/EG van de Raad betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, aldus worden uitgelegd dat ontslagen om economische redenen, gebaseerd op de weigering van de werknemers om de bepalingen van een collectieve mobiliteitsovereenkomst op hun arbeidsovereenkomst toe te passen, moeten worden beschouwd als een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever om een of meer redenen die geen betrekking hebben op de persoon van de werknemer, zodat deze ontslagen in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van het totale aantal ontslagen? 

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 2, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 98/59/EG dan aldus worden uitgelegd dat, indien de ondernemingsraad overeenkomstig de artikelen L. 2242-21 en volgende van de code du travail wordt geïnformeerd en geraadpleegd voorafgaand aan het sluiten van een collectieve overeenkomst over interne mobiliteit met representatieve werknemersorganisaties, de werkgever wordt vrijgesteld van het informeren en raadplegen van de personeelsvertegenwoordigers, wanneer het aantal voorgenomen ontslagen het in artikel 1, onder a), van voornoemde richtlijn vastgestelde aantal ontslagen overschrijdt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: 
Specifiek beleidsterrein: SZW

Gerelateerde documenten