C-259/24 Tenergie  

Contentverzamelaar

C-259/24 Tenergie  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    11 juni 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    28 juli 2024

Trefwoorden: invoer, douane, douaneautoriteiten, antidumpingsregeling, vergissing

Onderwerp: 
-    Douanewetboek van de Unie (Verordening 952/2013)
-    Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997

Feiten:
Verzoekster is SAS Tenergie Developpement en verweerders zijn de Franse douaneautoriteiten. Tenergie heeft zonnepanelen uit Taiwan ingevoerd. Na controles stelt de douaneadministratie dat inbreuk was gemaakt op de Europese antidumpingsregeling wegens valse oorsprongsverklaringen van de panelen. Tenergie vordert terugbetaling en/of kwijtschelding van de boete omdat zij niet had kunnen weten dat de verklaringen ongeldig waren en er sprake is van een vergissing door de douaneadministratie (art. 119 EU-douanewetboek) omdat zij Tenergie niet op de hoogte heeft gesteld van hun vermoedens dat de verklaringen ongeldig waren gedurende de controle, terwijl er daarnaast ook nog andere controles zijn geweest, o.a. door de Europese Commissie via OLAF, waaruit de ongeldigheid niet bleek. De douaneadministratie heeft zelf documentcontroles en een fysieke controle verricht, zonder daarbij enige onregelmatigheid aan de orde te stellen. Tenergie stelt dat de douaneadministratie verplicht was om haar dossier betreffende het verzoek tot terugbetaling/kwijtschelding aan de Europese Commissie voor te leggen. 

Overweging:
Het Douanewetboek van de Unie stelt verschillende vereisten voor terugbetaling of kwijtschelding in het geval van een vergissing van de bevoegde autoriteiten (artikelen 116 t/m 120 EU-douanewetboek). De doelstelling van de regeling is dat de Commissie in staat wordt gesteld te zorgen voor een uniforme communautaire rechtspraak op dit gebied en te voorkomen dat consequente toepassing van het douanewetboek wordt belemmerd, waardoor Tenergie het recht heeft te vragen of de douaneadminstratie het dossier aan de Europese Commissie had moeten voorleggen.

Prejudiciële vragen:
1. Indien, zoals in casu, de verzoekende onderneming voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 119 en 120 van het douanewetboek van de Unie, moet artikel 116 van dit wetboek dan aldus worden uitgelegd dat het de bevoegde nationale autoriteiten verplicht om het dossier betreffende het verzoek tot kwijtschelding van de meegedeelde rechten voor te leggen aan de Europese Commissie? 
2. Indien het antwoord luidt dat deze nationale autoriteiten in dergelijke gevallen een gebonden bevoegdheid hebben, kan de niet-nakoming van de verplichting om het dossier betreffende het verzoek tot kwijtschelding voor te leggen aan de Europese Commissie dan leiden tot kwijtschelding van de nagevorderde rechten en geldboeten? 
3. Indien de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord, kan het beginsel volgens hetwelk een lidstaat de schade moet vergoeden die particulieren hebben geleden door zijn schending van het Unierecht, voor zover deze schending volledig aan de lidstaat kan worden toegerekend, dan worden toegepast wanneer deze lidstaat artikel 116 van het douanewetboek van de Unie onjuist heeft toegepast, terwijl de bij dat artikel voorgeschreven verplichting tot voorlegging van het dossier betreffende het verzoek tot kwijtschelding van rechten wordt geacht rechten toe te kennen aan particulieren, deze schending voldoende gekwalificeerd is en er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen die schending en de door de benadeelde geleden schade?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -
Specifiek beleidsterrein: FIN, douane

Gerelateerde documenten