C-273/15 Ezernieki

Contentverzamelaar

Terug C-273/15 Ezernieki

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   31 juli 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   17 augustus 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   17 september 2015
Trefwoorden: landbouw; steun plattelandsontwikkeling; evenredigheidsbeginsel


Onderwerp
- Handvest grondrechten artikel 17 (eigendomsrecht); artikel 52 (reikwijdte)
- Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen;
- Verordening (EG) nr. 817/2004 [van de Commissie van 29 april 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1257/1999 (enz)

Verzoekster is een LET landbouwbedrijf. Zij geeft in 2005 10,2 ha landbouwgrond op om steun te krijgen voor de ontwikkeling van de biologische landbouw. In 2006 geeft zij 2,3 ha meer oppervlakte op, in totaal 12,5 ha. In 2010 doet verzoekster een aanvraag voor areaalbetalingen waarbij zij geen aangifte doet van (eerdere) betalingen. In de procedure voor de Rb geeft zij aan dat zij de oppervlakteuitbreiding uit 2006 is vergeten en in de veronderstelling was dat de voorgaande verbintenisperiode was afgelopen. De Rb oordeelt 09-08-2011 dat verzoekster de ontvangen steun moet terugbetalen. De verbintenisperiode van de (door de areaaluitbreiding vernieuwde) steunaanvraag in 2006 liep tot en met 2010. Door na te laten in 2010 op grond van die verbintenis de steun aan te vragen is de verbintenis beëindigd zodat zij de ontvangen steun moet terugbetalen. Verzoekster stelt beroep tot vernietiging in, dat wordt gehonoreerd. In hoger beroep wordt het beroep echter alsnog verworpen. Door de uitbreiding van het areaal in 2006 is een nieuwe vijfjarige verbintenis ontstaan. In 2010, toen verzoekster een nieuwe steunaanvraag moest indienen, bepaalde het LET besluit dat de begunstigde van de steun, indien er een einde kwam aan de verbintenissen (omdat de jaarlijkse steunaanvraag niet was ingediend, de ligging van de betrokken oppervlakte was veranderd, de betrokken oppervlakte was verminderd of niet was aangegeven met het oog op steun), de voor de betrokken oppervlakte ontvangen steun moest terugbetalen. Verzoekster stelt cassatieberoep in bij de verwijzende rechter omdat haar verzoek om te worden gehoord en de gevolgen ervan niet in aanmerking zijn genomen.

De verwijzende LET rechter (afdeling bestuursrechtspraak Hooggerechtshof) citeert artikel 37 van Vo. 817/2004 waaruit blijkt dat areaaluitbreiding mogelijk is zonder dat nieuwe verbintenissen ontstaan, maar dat dit beperkt is tot maximaal twee ha. Verzoekster heeft niet aan die voorwaarde voldaan en heeft ook nagelaten tijdig een aanvraag op grond van de lopende verbintenis te doen. Niet in geding is dat verzoekster voor de oorspronkelijk (in 2005) aangegeven 10,2 ha wel jaarlijks aan de voorwaarden voor toekenning steun heeft voldaan zodat haar recht op die steun behoud zou blijven. De vraag rijst dan ook voor de verwijzende rechter of het terugvorderen van de gehele steun verenigbaar is met de Vo. 1257/1999 en 817/2004 en met het evenredigheidsbeginsel. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1. Is de toepassing van de in artikel 71, lid 2, van verordening nr. 817/2004 bedoelde rechtsgevolgen op steun voor milieumaatregelen in de landbouw die is toegekend voor een aanvankelijk aangegeven deel van een oppervlakte ten aanzien waarvan gedurende vijf jaar is voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van die steun, verenigbaar met de doelstelling van verordening (EG) nr. 1257/1999 [van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen] en verordening (EG) nr. 817/2004 [van de Commissie van 29 april 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL)] en het evenredigheidsbeginsel?
2. Moet artikel 17 juncto artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat daarmee verenigbaar is de toepassing van de in artikel 71, lid 2, van verordening nr. 817/2004 bedoelde rechtsgevolgen op steun voor milieumaatregelen in de landbouw die is toegekend voor een deel van een oppervlakte ten aanzien waarvan gedurende vijf jaar is voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van die steun?
3. Moet artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat kan worden afgeweken van de toepassing van de rechtsgevolgen die volgens een verordening en de door de lidstaat overeenkomstig die verordening vastgestelde regels verplicht is, indien er in het concrete geval sprake is van bijzondere omstandigheden waarin de betrokken beperking als onevenredig moet worden aangemerkt?
4. Is de bodemrechter gelet op de doelstelling van de verordeningen nr. 1257/1999 en nr. 817/2004 en de door die verordeningen aan de beoordelingsmarge van de lidstaten gestelde grenzen gerechtigd om geen volledige toepassing te geven aan artikel 84 van besluit nr. 295 van de ministerraad van 23 maart 2010, „Besluit inzake de toekenning en het beheer van en het toezicht op staatssteun en steun van de Europse Unie voor landbouwontwikkeling ter verbetering van het agrarische en natuurlijke landschap”, dat ziet op de terugbetaling van steun, indien de toepassing ervan in de concrete omstandigheden van de zaak in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, zoals uitgelegd in de rechtsorde van de lidstaat?

Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten