C-273/24 Naski

Contentverzamelaar

C-273/24 Naski

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    18 juni 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    4 augustus 2024

Trefwoorden: Rechterlijke onafhankelijk; onpartijdigheid

Onderwerp: 
-    Verdrag betreffende de Europese Unie: artikelen 2, 6 leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea;
-    Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: artikel 47.

Feiten:
De zaak ziet op een rechtsprekende formatie bestaande uit drie rechters, waartegen een wrakingsverzoek was ingesteld. Het betrof de rechters van de civiele kamer van een rechtbank in laatste aanleg. X.Y. heeft een wrakingsverzoek ingesteld vanwege de omstandigheden waaronder ‘BD’ tot rechter in de rechterlijke instantie is benoemd, namelijk op voordracht van de KRS, welke is vormgegeven in overeenstemming met een omstreden nationale regelgeving. De behandeling van het wrakingsverzoek is voorgelegd aan zeven rechters. De zaak ziet op zowel de aanstelling van rechters als op de gronden voor het wraken van een rechter.

Overweging:
De zeven (verwijzende) rechters vragen om uitleg over wat het effect is op de benoeming van een rechter, wanneer deze is benoemd op grond van nationale regelgeving die vervolgens nietig is verklaard. De verwijzende rechters vragen ook wat de betekenis is of moet zijn van personen die op dezelfde wijze als rechter zijn benoemd, en nu een leidinggevende rol hebben waarbij feitelijk of rechtelijk invloed uitgeoefend kan worden op de vervulling van de rechtsprekende taken binnen de rechtbank. 

Prejudiciële vragen:
1) In een situatie waarin de rechterlijke instantie van laatste aanleg van een lidstaat (de Sąd Najwyższy), na van het Hof een uitlegging van het Unierecht te hebben verkregen over de rechtsgevolgen van een schending van de in het recht van die staat geldende basisregels inzake de benoeming van de rechters van de Sąd Najwyższy waarbij die schending erin bestaat 
a) dat door de president van de Republiek Polen benoemingsbesluiten worden overhandigd voor benoemingen in het ambt van rechter in de Sąd Najwyższy, ondanks het feit dat de resolutie van de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen), die het voorstel voor de benoeming tot rechter bevat, eerder bij de bevoegde nationale rechter [de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen)] is aangevochten, dat de Naczelny Sąd Administracyjny de tenuitvoerlegging van deze resolutie overeenkomstig het nationale recht heeft opgeschort en dat de beroepsprocedure niet was afgerond, waarna de Naczelny Sąd Administracyjny de bestreden resolutie van de nationale raad voor de rechtspraak wegens onrechtmatigheid nietig heeft verklaard en deze resolutie definitief uit de rechtsorde heeft verwijderd, waardoor de handeling tot benoeming in het ambt van rechter in de Sąd Najwyższy de in artikel 179 van de Poolse grondwet vereiste grondslag, te weten de voordracht van de nationale raad voor de rechtspraak voor de benoeming in het ambt van rechter, heeft verloren, 
b) dat er, in strijd met de beginselen van transparantie en billijkheid, een voorbenoemingsprocedure is georganiseerd door een nationaal orgaan, de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen), dat door de omstandigheden van zijn oprichting voor wat betreft het uit rechters bestaande deel en de wijze waarop het functioneert, niet voldoet aan de eisen van een grondwettelijk orgaan dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van de rechters beschermt, rekening houdend met het feit dat dit orgaan is opgericht volgens de procedure van de ustawa o zmianie ustawy o Krajowej Radzie Sądownictwa oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet inzake de Krajowa Rada Sądownictwa en bepaalde andere wetten) van 8 december 2017 (Dz. U. 2018, volgnr. 3), 
– een aan die rechterlijke instantie voorgelegde rechtsvraag dient te beslechten aan de hand van de uitlegging die door het Hof aan het Unierecht is gegeven: moeten de bepalingen van artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 267 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de genoemde rechtsvraag wordt beslecht door een rechtsprekende formatie van de Sąd Najwyższy die onder meer bestaat uit personen die tot rechter in deze rechterlijke instantie zijn benoemd in strijd met de in punt 1, onder a) of b), beschreven nationaalrechtelijke regels van die lidstaat, alsook dat die bepalingen zich verzetten tegen wijzigingen van de samenstelling van de rechtsprekende formatie van de rechterlijke instantie van die lidstaat die het Hof om een prejudiciële beslissing heeft verzocht, wanneer dergelijke wijzigingen zich hebben voorgedaan nadat het Hof het arrest heeft gewezen ter beantwoording van de in dat verzoek gestelde vraag en wanneer die wijzigingen niet objectief gerechtvaardigd waren (bijvoorbeeld wegens het overlijden of de pensionering van een lid van de rechtsprekende formatie die het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend), 
– en dat die bepalingen zich ertegen verzetten dat in de zaak waarin de genoemde rechtsvraag moet worden beslecht beslissingen worden vastgesteld, zoals het uitvaardigen van bevelen, daaronder met name begrepen bevelen betreffende de samenstelling van de rechtsprekende formatie van de Sąd Najwyższy of betreffende de datum waarop deze rechtsprekende formatie dient te vergaderen ter afhandeling van de betreffende zaak, door een tot president van de Sąd Najwyższy benoemd persoon die leiding geeft aan de civiele kamer van deze rechterlijke instantie en die eveneens tot rechter in deze rechterlijke instantie was benoemd in strijd met de in punt 1, onder a) of b), beschreven nationaalrechtelijke regels van die lidstaat, of door enig ander persoon die eveneens [onder dergelijke omstandigheden] tot rechter in deze rechterlijke instantie was benoemd, zodat dergelijke bevelen of beslissingen moeten worden geacht geen rechtsgevolgen te sorteren, 
– en dat een rechter in de Sąd Najwyższy van wie de benoeming niet gepaard is gegaan met een schending als bedoeld in punt 1, onder a) of b), het recht en de plicht heeft om, ter voorkoming dat de zaak wordt beslecht door een rechterlijke instantie die geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht is dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van het Unierecht, te weigeren om zitting te nemen in een meervoudige rechtsprekende formatie van de Sąd Najwyższy die bij meerderheid bestaat uit personen die tot rechter in deze rechterlijke instantie zijn benoemd in strijd met de in punt 1, onder a) of b), beschreven nationaalrechtelijke regels van de betreffende lidstaat en, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dat een rechter die tot rechter in de Sąd Najwyższy is benoemd zonder dat er sprake is van de in punt 1, onder a) of b), genoemde schendingen, en die [tevens] de rechter-rapporteur van deze rechterlijke instantie is in de zaak waarin de onderzochte rechtsvraag moet worden behandeld, bevoegd is om, ter beslechting van de genoemde vraag en ten behoeve van de waarborging van de doeltreffendheid van het Unierecht en van de door het Hof gegeven uitlegging daarvan, een rechtsprekende formatie van de Sąd Najwyższy aan te wijzen zonder daarbij rekening te houden met de nationaalrechtelijke bepalingen die aan de president van de Sąd Najwyższy die leiding geeft aan de civiele kamer van deze rechterlijke instantie de bevoegdheid verlenen om de rechtsprekende formaties aan te wijzen die uitspraak moeten doen in zaken die door deze kamer worden onderzocht, en [dat die bepalingen] zich er tevens tegen verzetten dat personen die tot rechter in de Sąd Najwyższy zijn benoemd in strijd met de in punt 1, onder a) of b), beschreven nationaalrechtelijke regels, of andere personen die [onder dergelijke omstandigheden] tot rechter in de Sąd Najwyższy zijn benoemd, leidinggevende functies bij deze rechterlijke instantie vervullen [zoals de functie van Prezes (president) van de Sąd Najwyższy, daaronder begrepen de functie van Pierwszy Prezes (eerste president) van deze rechterlijke instantie of die van voorzitter van een van de afdelingen van de kamers ervan] of dat zij een functie vervullen binnen de organen van de Sąd Najwyższy [zoals die van lid of plaatsvervangend lid van het Kolegium (college) van de Sąd Najwyższy of die van tuchtfunctionaris van de Sąd Najwyższy], die uitsluitend kunnen worden vervuld door rechtmatig benoemde rechters van deze rechterlijke instantie, alsook dat de hierboven genoemde personen handelingen verrichten die behoren tot de bevoegdheid van de daartoe bevoegde rechters van de Sąd Najwyższy, op grond dat zij feitelijk of rechtens invloed kunnen uitoefenen op de vervulling van de rechtsprekende taken van de Sąd Najwyższy? 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-487/19 W.Ż.; C-542/18 RX-II; C-543/18 RX-II; C-132/20 Getin Noble Bank 

Specifiek beleidsterrein: JenV