C-277/20 UM

Contentverzamelaar

C-277/20 UM

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     25 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     11 oktober 2020

Trefwoorden : erfrecht;

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (hierna: erfrechtverordening);

 

Feiten:

ZL (Duitse staatsburger) is eigenaar van een in Mauthen gelegen onroerend goed, maar is op 13-05-2018 overleden. In 1975 heeft ZL een overeenkomst gesloten met UM (zijn zoon) en diens toenmalige echtgenote XU (Oostenrijks staatsburger). In dit overeenkomst werden meerdere voorwaarden gesteld aan de overdracht van het onroerend goed aan UM en XU. In 2005 overleed XU. UM verzoekt om inschrijving van zijn eigendomsrecht op het onroerend goed. De rechter in eerste aanleg (de hulprechter) heeft het verzoek tot kadastrale inschrijving afgewezen en de rechter in tweede aanleg heeft die beslissing bevestigd. De bepalingen van de erfrechtverordening waren niet van toepassing omdat in het aanbod tot sluiting van de overeenkomst de toepasselijkheid van het Oostenrijkse recht was overeengekomen. De verzoeker moest door middel van een voor kadastrale inschrijving vatbaar document aantonen dat voldaan was aan de in de overeenkomst vastgestelde opschortende voorwaarden. De overdracht op grond van de schenking ter zake des doods had niet mogen plaatsvinden voordat het huis was voltooid. De vervulling van deze voorwaarde was niet aangetoond. Verzoeker heeft tegen deze beslissing beroep in Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof, waarmee hij zijn verzoek tot kadastrale inschrijving handhaaft.

 

Overweging:

De vraag of de bij een overeenkomst tot schenking ter zake des doods gemaakte rechtskeuze voor het Oostenrijkse recht geldig is en de vraag of de erfrechtverordening op dat soort overeenkomsten van toepassing is, zijn voor de verwijzende rechter vragen die hij voorafgaand dient te beantwoorden om te kunnen vaststellen of in dit geval de hulprechter bevoegd is.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 3, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (hierna: „erfrechtverordening”) aldus worden uitgelegd dat het in die bepaling gebezigde begrip „erfovereenkomst” zich mede uitstrekt tot een  tussen twee Duitse staatsburgers met gewone verblijfplaats in Duitsland gesloten overeenkomst tot schenking ter zake des doods die betrekking heeft op een in Oostenrijk gelegen onroerend goed, krachtens welke overeenkomst de begiftigde na het overlijden van de schenker jegens de nalatenschap een verbintenisrechtelijk recht op kadastrale inschrijving van zijn eigendomsrecht heeft op basis van die overeenkomst en de overlijdensakte van de schenker, dus zonder tussenkomst van de voor erfeniszaken bevoegde rechter?

2. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord: Moet artikel 83, lid 2, van de erfrechtverordening aldus worden uitgelegd dat het ook beslissend is voor de geldigheid van een vóór 17 augustus 2015 gemaakte rechtskeuze met betrekking tot een als erfovereenkomst in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van die verordening aan te merken overeenkomst tot schenking ter zake des doods?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV