C-279/24  Liechtensteinische Landesbank

Contentverzamelaar

C-279/24  Liechtensteinische Landesbank

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 juni 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    11 augustus 2024

Trefwoorden: Rechtskeuze; consumentenbescherming; oneerlijke bedingen
Onderwerp:  Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I): artikel 6.

Feiten:
Verzoekende partij ‘AY’, woonachtig in Italië, opende bij verwerende partij in Oostenrijk een effectenrekening en een rekening-courant. Van oktober 2017 tot en met februari 2018 heeft AY aandelen gekocht in een obligatie. Vanaf 2017 heeft AY financieel verlies geleden met zijn aandelen, en hij vordert schadevergoeding van verwerende partij op grond van onjuiste adviezen en informatie. De vordering is door de rechters afgewezen, en AY gaat in beroep. Tijdens de zaken  is er een geschil ontstaan over welk recht van toepassing is op deze zaak, namelijk Italiaans of Oostenrijks recht.

Overweging:
AY stelt dat verwerende partij op grond van artikel 6, lid 1, onder b), van de Rome-I Verordening haar activiteiten op de Italiaanse markt heeft gericht, vanwege de presentatie van verwerende partij op een bijeenkomst in Padua in oktober 2016. Hierdoor zou Italiaans recht van toepassing zijn. In een overeenkomst (die later is afgesloten) is bij het rechtskeuzebeding echter Oostenrijks afgesproken. De verwijzende rechter twijfelt over de betekenis van het op de markt ‘richten’ door verwerende partij, en of een tevoren gevestigde zakelijke relatie waar later een transactie door is ontstaan, leidt tot het van toepassing zijn van de rechtsgevolgen uit artikel 6, lid 1, van de Rome-I Verordening. 

Prejudiciële vragen:
1. Moeten de rechtsgevolgen van aankooporders van financiële producten die een in staat A (in casu Italië) woonachtige consument op grond van een vaste zakelijke relatie verstrekt aan een in staat B (in casu Oostenrijk) gevestigde bank worden beoordeeld volgens het recht dat blijkt uit artikel 6 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-verordening) indien er aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 6 van de Rome I-verordening was voldaan bij het verstrekken van afzonderlijke orders, maar niet al bij het aangaan van de zakelijke relatie en partijen op dat tijdstip voor de gehele zakelijke relatie krachtens artikel 3 van de Rome I-verordening het recht van staat B hadden gekozen? 
2. Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: 
Is de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van de Rome I-verordening toepasselijk wanneer een bank op grond van een overeenkomst rekeningen opent voor een in een andere lidstaat woonachtige consument en vervolgens op grond van orders van de consument voor hem financiële producten aankoopt die worden geregistreerd in de rekeningen, waarbij de consument de orders (ook) door middel van communicatie op afstand kan verstrekken? 
3. Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend en de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: 
Moet een rechtskeuze die is gemaakt voordat er aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 6 van de Rome I-verordening is voldaan, worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten [OMISSIS] nadat aan die voorwaarden is voldaan, indien er niet is gewezen op de rechtsgevolgen van artikel 6, lid 2, van de Rome I-verordening?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-191/15 Verein für Konsumenteninformation; C-821/21 Club La Costa e.a.; C-585/08 en C-144/09; C-218/12; C-135/15 

Specifiek beleidsterrein: EZK