C-28/16 MVM

Contentverzamelaar

Terug C-28/16 MVM

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   14 maart 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       29 maart 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   29 april 2016
Trefwoorden: btw; ‘moeiende holding’

Onderwerp
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Pb L 347, blz. 1)

Verzoekster is een HON staatsenergiebedrijf, in eigendom bij een aan tal ondernemingen die zich hoofdzakelijk bezighouden met zaken rond elektriciteit (opwekking, verkoop enz.) Verzoekster richt met haar dochterondernemingen een erkende groep van ondernemingen op door middel van een ‘zeggenschapsovereenkomst’. De moeder dient dan een geconsolideerde jaarrekening op te stellen; de autonomie van de gecontroleerde ondernemingen wordt beperkt. Het gaat in deze zaak om het handelen van verzoekster als ‘moeiende holding’. Haar activiteit is niet beperkt tot het innen van dividenden, maar zij speelt een actieve rol in het beheer van bepaalde aangelegenheden van de dochterondernemingen, zoals het regelen van reclamediensten. Zij voldoet de facturen voor deze diensten maar brengt de diensten vervolgens niet in rekening aan de dochters; zij verricht haar moeiende rol ‘om niet’. De aan btw onderworpen economische activiteit die verzoekster wel verricht is het verhuren van elektriciteitscentrales en optische vezelnetwerken.
HON belastingdienst (verweerster) controleert verzoeksters aangiften over 2008 – 2010. Verweerster stelt dat verzoekster haar recht op aftrek over deze periode onrechtmatig heeft uitgeoefend omdat de diensten niet zijn verricht voor belaste goederenleveringen of diensten van verzoekster, maar in het belang van haar dochterondernemingen. Voor wat de diensten op het gebied van bedrijfsbeheer betreft had verzoekster evenmin recht op aftrek; in de HON btw-wet is geregeld dat de btw over diensten die ten behoeve van de belastingplichtige zijn verricht alleen aftrekbaar wanneer de belastingplichtige die diensten gebruikt voor zijn goederenleveringen of diensten. Verzoekster vecht het besluit van verweerster aan bij de bestuursrechter waar zij stelt dat zij in de betreffende periode geen enkele vrijgestelde handeling heeft verricht, zodat het alleen om algemene kosten gaat die zij in het kader van de door haar onder bezwarende titel verrichte belaste activiteiten gemaakt heeft. De rechter wijst haar beroep af; hij oordeelt dat verweerster objectief heeft vastgesteld dat verzoekster in de onderzochte periode geen inkomsten heeft gehaald uit haar rol als ‘moeiende holding’. Verzoekster stelt cassatieberoep in.

De verwijzende HON cassatierechter erkent het belang van de rol van het HvJEU in gecentraliseerde uitleg van de fundamentele kenmerken van de btw-regelgeving gezien het belang van het recht op aftrek voor belastingplichtigen. In deze zaak gaat het om een combinatie van twee situaties: het aftrekrecht van de zogenaamde passieve holding en de zogenaamde ‘moeiende holding’. Verzoekster in deze zaak treedt op als ‘moeiende holding’ maar daarnaast ook als passieve holding (facturering). Voor zover de rechter kan nagaan heeft het HvJEU zich nog niet eerder uitgesproken over de vraag of een ‘moeiende holding’ die zich passief gedraagt in die zin dat zij de door haar afgenomen diensten niet doorberekent, recht heeft op btw-aftrek. De vragen luiden als volgt:
1) Moet een holdingmaatschappij die een actieve rol speelt in het beheer van bepaalde aangelegenheden van haar dochterondernemingen of van de groep van ondernemingen als geheel, maar de kosten van de diensten die zij in het kader van haar activiteit als „moeiende” holding verricht en de btw daarover niet in rekening brengt aan die dochterondernemingen, voor die diensten worden aangemerkt als btw-plichtig?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, heeft een moeiende holdingmaatschappij recht op aftrek van de btw over de door haar afgenomen diensten die rechtstreeks verband houden met de belaste economische activiteit van bepaalde dochterondernemingen en hoe kan zij dat recht in voorkomend geval uitoefenen?
3) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, heeft een moeiende holdingmaatschappij recht op aftrek van de btw over de door haar afgenomen diensten die in het belang zijn van de volledige groep van ondernemingen en hoe kan zij dat recht in voorkomend geval uitoefenen?
4) Luidt het antwoord op de vorige vragen anders – en zo ja, in hoeverre – wanneer de moeiende holdingmaatschappij de betrokken afgenomen diensten aan haar dochterondernemingen in rekening brengt als intermediaire diensten?
Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten