C-283/20 EULEX-KOSOVO

Contentverzamelaar

C-283/20 EULEX-KOSOVO

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     26 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     12 oktober 2020

Trefwoorden : GBVB; arbeidsrecht; sociale zekerheid

Onderwerp :

-           Gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB van de Raad van 4 februari 2008 inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, EULEX KOSOVO;

-           De mededeling van de Commissie van 30 november 2009 betreffende de bijzondere adviseurs van de Commissie die gemachtigd zijn voor de uitvoering van operationele acties van het GBVB, en betreffende het internationale contractpersoneel;

 

Feiten:

Oorspronkelijk had de missie EULEX KOSOVO geen rechtspersoonlijkheid en handelde zij door toedoen van het hoofd van de missie. De missie EULEX KOSOVO kreeg bij besluit 2014/349 van 12 juni 2014 rechtspersoonlijkheid en de bekwaamheid. MJ bekleedde van 1 februari 2013 t/m 14 oktober 2014 de functie van hoofd van de missie. Verzoekers zijn in Kosovo als internationaal civiel personeel in dienst geweest van de missie EULEX KOSOVO (sommigen zijn nog in dienst). De overeenkomsten die zijn gesloten en verlengd voordat de missie EULEX KOSOVO rechtspersoonlijkheid bezat, zijn door het hoofd van de missie in eigen naam opgesteld en ondertekend, en tussen 12 juni 2014 - 14 oktober 2014 heeft MJ gehandeld als “vertegenwoordiger” van de missie. In 2012 heeft een herindeling van verschillende functies volgens verzoekers geleid tot een wijziging van de functieomschrijving en een aanzienlijke vermindering van de bezoldiging ervan. Verzoekers betwisten de herindeling van hun functie en/of het niet verlengen van hun overeenkomsten, evenals het “statuut” dat op hen is/wordt toegepast, met name op het gebied van de sociale zekerheid. Verzoeker hadden hun vordering aanvankelijk alleen tegen verweerders ingesteld: MJ, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, en de Raad. MJ verzoekt de tegen hem ingestelde vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. De missie EULEX KOSOVO is volgens hem immers de werkgever van verzoekers voor alle betrokken overeenkomsten. De Europese instellingen zijn van mening dat zij geen werkgever van verzoekers zijn en concluderen dat de tegen hen ingestelde vorderingen niet-ontvankelijk of althans ongegrond worden verklaard.

 

Overweging:

Het Gerecht en het Hof hebben reeds kennisgenomen van verschillende zaken met betrekking tot de missie EULEX KOSOVO of andere soortgelijke missies op initiatief van voor de missie ingezet internationaal civiel personeel. Zij hebben echter nog niet de gelegenheid gehad om in te gaan op de vraag hoe de werkgever van dit personeel en/of zijn vertegenwoordiging moet worden geïdentificeerd voor de periode voordat de missie rechtspersoonlijkheid verkreeg, maar de missie wel al personeel kon aanwerven op contractbasis, door handelen van het hoofd van de missie die de overeenkomsten in eigen naam ondertekende, en het personeel daadwerkelijk reeds in dienst van de missie was. Deze identificatie is in casu noodzakelijk om de ontvankelijkheid en/of de grondslag te kunnen onderzoeken van bepaalde vorderingen die zowel tegen MJ als tegen de Europese instellingen zijn gericht, voor zover zij betrekking hebben op de periode vóór 12 juni 2014.

 

Prejudiciële vraag:

Dienen de artikelen 8.3 en 10.3 van gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB van de Raad van 4 februari 2008 inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, EULEX KOSOVO, vóór de wijziging ervan bij besluit 2014/349/GBVB van de Raad van 12 juni 2014, in voorkomend geval in combinatie met alle andere eventueel relevante bepalingen, aldus te worden uitgelegd dat zij het hoofd van de missie, in eigen naam en voor eigen rekening, de hoedanigheid toekennen van werkgever van het bij de missie EULEX KOSOVO werkzame internationale civiele personeel vóór 12 juni 2014, of dat zij, met name gezien de artikelen 8.5 en 9.3 van gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB vóór de wijziging van 12 juni 2014, de hoedanigheid van werkgever toekennen aan de Europese Unie en/of aan een van haar instellingen, zoals de Europese Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de Raad van de Europese Unie of een eventuele andere instelling, voor rekening waarvan het hoofd van de missie tot die datum zou hebben opgetreden krachtens een volmacht, delegatie van bevoegdheid of een zo nodig te bepalen andere vorm van vertegenwoordiging?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: SZW; BZ; DEF