C-291/21 Starkinvest 

Contentverzamelaar

C-291/21 Starkinvest 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     2 juli 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     18 augustus 2021

Trefwoorden : dwangsom; vordering; rechterlijke bevoegdheid

Onderwerp :

-           Verordening nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen;

-           Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

-           Verordening nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken;

Feiten:

De vennootschappen Soft Paris Eurl en Soft Paris Parties Ltd zijn – op straffe van een dwangsom van €2.500,- per inbreuk – ertoe veroordeeld te staken met het gebruik van het woord- en beeldmerk Soft Paris. Het betreffende arrest is betekend, echter zijn de neergelegde stukken volgens Starkinvest niet volledig of leesbaar wat het bewijs van de betekening aan de in Dublin gevestigde vennootschap Soft Paris Parties Ltd betreft, aangezien er geen ontvangstbewijs is van een van de vormen van betekening die zijn vastgesteld in verordening 1393/2007. Artikel 9 van deze verordening bepaalt dat voor de datum van een dergelijke betekening of kennisgeving van stukken het recht van de aangezochte lidstaat geldt. Op 27-04-2021 heeft Starkinvest verzocht om een betalingsbevel voor een bedrag van €86.694,22, waarvan €85.000,- als dwangsom voor het tijdvak van 24-03-2021 t/m 27-04-2021. Verder verzoekt Starkinvest de rechtbank om machtiging tot het leggen van Europees conservatoir derdenbeslag op bankrekeningen voor een bedrag van €85.000,- in hoofdsom, op de bedragen die zich mogelijk op de Franse bankrekening van de vennootschap naar Iers recht bevinden.

Overweging:

Krachtens artikel 7(2) van verordening 655/2014 dient een schuldeiser, indien hij in een lidstaat nog geen rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of authentieke akte heeft verkregen op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen, tevens voldoende bewijsmateriaal te verstrekken om het gerecht ervan te overtuigen dat zijn vordering tegen de schuldenaar waarschijnlijk gegrond zal worden verklaard.

Het onderzoek dat de rechter in de onderhavige zaak dient te verrichten hangt af van de vraag of Starkinvest zich kan beroepen op een titel „op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen” in de zin van artikel 7(2) van verordening nr. 655/2014.

Prejudiciële vragen:

1. Vormt een betekende rechterlijke beslissing waarbij een partij wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij niet-naleving van een bevel tot staking een beslissing op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen?

2. Valt een rechterlijke beslissing waarbij een partij wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom die uitvoerbaar is in het land van herkomst, onder het begrip „rechterlijke beslissing” in de zin van artikel 4 van verordening nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen, ook al is het bedrag van deze dwangsom niet overeenkomstig artikel 55 van verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken bepaald?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: K.H.K. C-555/18;

Specifiek beleidsterrein: JenV;