C-293/23 ENGIE Deutschland 

Contentverzamelaar

C-293/23 ENGIE Deutschland 

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    30 juni 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    16 augustus 2023

Trefwoorden: interne markt voor elektriciteit, afnemerinstallatie, distributiesysteem, mededinging

Onderwerp: Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU.

Feiten:

Verzoekster is een energiebedrijf dat warmtekrachtkoppelinginstallaties, buurtverwarmingssystemen en energieinstallaties beheert voor de levering van energie, waarmee zij eindafnemers voorziet van warmte en elektriciteit. Verweerster (hierna: ,,distributiesysteembeheerder”) beheert het elektriciteitsdistributiesysteem in Zwickau. Partijen twisten over de vraag of verweerster verplicht is twee energieinstallaties van verzoekster als afnemerinstallaties op haar systeem aan te sluiten. Verzoekster verzorgde op grond van een warmteleveringsovereenkomst met de eigenaar van het perceel, de Zwickau woningcorporatie, de verwarming en warmwatervoorziening in twee gebieden, waarbij zij in beide gebieden gebruikmaakte van een energiecentrale en een daarop aangesloten buurtverwarmingssysteem. Verzoekster had het voornemen twee warmtekrachtkoppelinginstallaties en twee galvanisch gescheiden elektrische leidingsystemen te bouwen en te beheren, waarop de eindafnemers (huurders) voortaan aangesloten zouden moeten worden. Zij registreerde derhalve bij verweerster systeemaansluitingen voor deze installaties en verzocht om aansluiting op verweersters systeem. Verweerster heeft de verzoeken afgewezen omdat deze geen betrekking hadden op afnemerinstallaties, verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.

Overweging:

De appelrechter heeft zijn afwijzing gemotiveerd met het feit dat er geen sprake is van afnemerinstallaties omdat de installaties voor het waarborgen van een doeltreffende zuivere mededinging bij de levering van elektriciteit en gas niet van gering belang zijn in de zin van § 3, punt 24a, onder c), van de Duitse wet rationeel energiegebruik (EnWG). De verwijzende rechter betoogt echter dat de installaties wel gekwalificeerd kunnen worden als afnemerinstallaties. Een energieinstallatie is voor de mededinging van gering belang wanneer deze noch in technisch of economisch opzicht, noch wat leveringsrechten betreft een omvang bereikt die invloed kan hebben op de mededinging bij de levering en de door de regulering bepaalde positie van de systeembeheerders. Volgens deze beginselen zijn de installaties in casu voor de mededinging van gering belang.

§ 3, punt 24a, EnWG is echter niet verenigbaar met artikel 2, punt 28 en punt 29, en artikel 30 e.v. van richtlijn (EU) 2019/944 wanneer de installaties deel uitmaken van het distributiesysteem in de zin van artikel 2, punt 28 en punt 29, van richtlijn 2019/944. Overeenkomstig § 3, punt 16, EnWG maken afnemerinstallaties geen deel uit van een elektriciteitsleveringssysteem. De beheerders ervan zijn geen distributiesysteembeheerders overeenkomstig § 3, punt 3, EnWG en vallen derhalve niet onder de regulering overeenkomstig §§ 11 e.v. EnWG. Bij het aansluitingspunt van de afnemerinstallatie op het energieleveringssysteem eindigt het gereguleerd systeem en begint de niet gereguleerde afnemerinstallatie. Het Hof heeft zich met betrekking tot het begrip distributiesysteem nog niet beziggehouden met de vraag of dat ook afnemerinstallaties in de zin van § 3, punt 24a, EnWG omvat. Gelet op de grootte van de installaties en de omstandigheid dat verzoekster de huurders zowel als eigenaar en als beheerder van de installaties en ook als leverancier van elektriciteit tegemoet treedt, kan er niet zonder twijfel van worden uitgegaan dat de installaties geen deel uitmaken, of kunnen worden uitgesloten, van het distributiesysteem in de zin van artikel 2, punten 28 en 29, en artikel 30 e.v., van richtlijn 2019/944.

Prejudiciële vragen:

1. Staan artikel 2, punten 28 en 29, en artikel 30 e.v. van richtlijn 2019/944 in de weg aan een bepaling zoals § 3, punt 24a, juncto punt 16, EnWG, volgens welke de beheerder van een energieinstallatie voor de levering van energie niet onder de verplichtingen van een distributiesysteembeheerder valt, wanneer hij de energieinstallatie in de plaats van het huidige distributiesysteem bouwt en beheert, teneinde met door warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit verscheidene flatgebouwen, met maximaal 200 verhuurde wooneenheden en met een jaarlijkse energietransmissie van maximaal 1.000 MWh, van elektriciteit te voorzien, waarbij de kosten van de bouw en het beheer van de energieinstallatie als onderdeel van een uniform, voor de geleverde warmte te betalen maandelijks basistarief door de eindafnemers (huurders) worden gedragen en de beheerder de geproduceerde elektriciteit aan de huurders verkoopt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-439/06, EuZW 2008.

Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten