C-298/23 Inter IKEA Systems

Contentverzamelaar

C-298/23 Inter IKEA Systems

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    4 juli 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    20 augustus 2023

Trefwoorden: Vrijheid van meningsuiting, inbreuk op het merkenrecht, geldige reden

Onderwerp:

•            Artikel 11 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

•            Artikel 9.2. c) van Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk;

•            Artikel 10.2.c) en artikel 10.6 van Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten.

Feiten:

Huidige zaak betreft het gebruik van de bekende IKEA merken door verweerster in een politieke campagne van een politieke partij. Het Zweedse regeerakkoord kon in de ogen van verweerster als inspiratie dienen voor een noodzakelijke hervorming van het asiel- en migratiebeleid in België. Zij heeft haar IKEA-plan voorgesteld aan pers en publiek. De titel van het plan 'Immigratie Kan Echt Anders' (afgekort IKEA) stelt volgens verweerster aan de hand van een ludieke en parodiërende verwijzing naar het merk IKEA een 'Zweeds pakket' met migratiemaatregelen voor. Verweerster erkent zonder toestemming gebruik te maken van de bekende IKEA merken van verzoekende partij IKEA (hierna “eiseres”). Partijen twisten met name over het feit dat verweerster de inbreuken heeft voortgezet tot lang nadat eiseres duidelijk en omstandig de locaties had geïdentificeerd waarop inbreuken werden vastgesteld en het feit dat verweerster in haar communicatie Inter IKEA gelijkstelt aan een van haar franchisenemers, IKEA Belgium, terwijl Inter IKEA en IKEA Belgium onafhankelijke ondernemingen zijn. Daarnaast zijn zij het oneens over wie de juridisch aansprakelijke rechtspersoon is.

Overweging:

Eiseres betoogt dat verweerster inbreuk maakt op haar merkenrechten en vordert naast een schadevergoeding een verbod op het gebruik van materiaal met daarop de IKEA merken. In rechte volgt verweerster grotendeels de merkenrechtelijke analyse van eiseres. De enige reden waarom verweerster de 'bekendheid van de IKEA merken gebruikt' is om haar ‘eigen boodschap kracht bij te zetten' en om 'de ruchtbaarheid en verspreiding van haar boodschap te vergroten’. Verweerster voert aan over een 'geldige reden' te beschikken om de IKEA merken te gebruiken.

Een merkenrecht is een industrieel of intellectueel eigendomsrecht dat erkend wordt als een fundamenteel grondrecht in een democratische samenleving. Het vindt bescherming in onder meer artikel 1 van het Protocol bij het EVRM en artikel 17.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het merkenrecht is echter niet absoluut. Het is vaste rechtspraak, ook voor bekende merken, dat het uitsluitend recht van de merkhouder is verleend om hem de mogelijkheid te bieden zijn specifieke belangen als houder van dat merk te beschermen, dat wil zeggen zeker te stellen dat het merk zijn eigen functies kan vervullen, en bijgevolg dat de uitoefening van dit recht derhalve ook beperkt dient te blijven tot de gevallen waarin het gebruik van het teken door een derde afbreuk doet of kan doen aan de functies van het merk. De bescherming tegen het gebruik voor andersoortige waren en diensten wordt beperkt door de mogelijkheid dat een derde zich op een "geldige reden" kan beroepen. Een dergelijke geldige reden is een volstrekt onafhankelijke voorwaarde: zelfs indien een derde door het gebruik ongerechtvaardigd voordeel haalt uit de bekendheid van het merk, of zelfs afbreuk doet aan de reputatie van het merk, doordat het merk geassocieerd wordt met boodschappen die negatief afstralen op haar imago, sluit dit niet uit dat de derde zich kan beroepen op een geldige reden.

Tegenover dit exclusief recht van de merkhouder staat de vrijheid van meningsuiting van de beweerde inbreukmaker. Deze vrijheid is verankerd in een groot aantal bepalingen, zoals artikel 10 EVRM en artikel 11 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. De essentie van de vrijheid is dat een overheid of andere private persoon zich niet kan mengen of inlaten met de vraag of en op welke wijze een mening wordt geuit. De vrijheid van meningsuiting is eveneens niet absoluut, zij kan beperkt worden ter bescherming van andere belangen. Beperkingen op de vrijheid van meningsuiting zijn pas noodzakelijk in een democratische samenleving als zij beantwoorden aan een "dringende maatschappelijke behoefte" en proportioneel zijn aan het na te streven doel. Hoe meer beschermingswaardig het voorwerp van de uiting, hoe sneller voorrang moet worden gegeven aan de vrijheid van meningsuiting. Waar de uiting betrekking heeft op een zaak van algemeen belang zal een overheid of nationale rechter slechts uitzonderlijk kunnen ingrijpen. Een uiting mag dus ver gaan, als ze een maatschappelijk relevant thema behandelt. Mogelijke inperkingsmaatregelen, ook op basis van intellectuele eigendom, moeten te allen tijde een "afschrikkingseffect" vermijden.

De verwijzende rechter merkt op dat verschillende bronnen erkennen dat de exclusieve rechten van de houder - en dus de "geldige reden" - moeten worden uitgelegd op een wijze die vrijheid van meningsuiting ten volle respecteert. Ook in verschillende merkenzaken lijkt het Hof van Justitie een ruime interpretatie van de vrijheid van meningsuiting te verdedigen. De loutere vaststelling dat een intellectueel eigendomsrecht is geschonden, volstaat dus niet om die beperking noodzakelijk te achten. Industriële eigendomsrechten genieten niet automatisch voorrang op de vrijheid van meningsuiting. In geval van conflicten tussen rechten van gelijke rang poneert het Hof van Justitie in een vaste rechtspraak daarom steeds de regel dat de nationale rechter een "rechtvaardig evenwicht" tussen beiden moet waarborgen. In deze beoordeling moet de rechter rekening houden "met alle omstandigheden van het geval". Wetgevende initiatieven naar aanleiding van de hervorming van het merkenrecht in 2016 en de consideransen in de wetgevingsteksten zelf benadrukken sterk dat elke uitoefening van het merkenrecht volledig in overeenstemming moet zijn met de vrijheid van meningsuiting. Onder welke voorwaarden, verduidelijkt de Uniewetgever echter niet. De rechtspraak van het Hof van Justitie in merkenzaken bepleit eveneens een ruime invulling van de vrijheid van meningsuiting. Het merkenrecht is een economisch ordeningsrecht dat niet verder hoeft te gaan dan wat nodig is om de functies van het merk te beschermen. De geldige reden is geen noodzaak maar peilt ook naar de subjectieve belangen van de beweerde inbreukmaker en het zoeken naar een rechtvaardig evenwicht. Welke de criteria daarvoor zijn in het kader van de vrijheid van meningsuiting, verduidelijkt de rechtspraak van het Hof echter ook niet.

Prejudiciële vragen:

Kan de vrijheid van meningsuiting, daaronder begrepen de vrijheid om politieke meningen te verkondigen en de politieke parodie, zoals gewaarborgd door artikel 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 11 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een "geldige reden" uitmaken om gebruik te maken van een met een bekend merk identiek of overeenstemmend teken in de zin van artikel 9.2.c) van Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk alsmede artikel 10.2.c) en artikel 10.6 van Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten?

In voorkomend geval, welke zijn de criteria die de nationale rechter in aanmerking moet nemen ter beoordeling van het evenwicht tussen die grondrechten, en het belang dat aan elk van die criteria moet worden gehecht?

In het bijzonder, kan de nationale rechter rekening houden met onderstaande criteria, en/of zijn er aanvullende criteria:

o de mate waarin de uiting een commercieel karakter of doel heeft;

o de mate waarin er concurrentiemotieven spelen tussen partijen;

o de mate waarin de uiting een algemeen belang heeft, maatschappelijk relevant is of een debat aangaat;

o de verhouding tussen voorgaande criteria;

o de mate van bekendheid van het ingeroepen merk;

o de omvang van het inbreukmakende gebruik, haar intensiteit en systematiek en de mate van verspreiding, naar territorium, tijd en volume, tevens in aanmerking genomen de mate waarin zulks in verhouding staat tot de boodschap die de uiting beoogt;

o de mate waarin de uiting, en omstandigheden die die uiting begeleiden, zoals de naam van de uiting en haar promotie, afbreuk doen aan de reputatie onderscheidend vermogen en het imago van de ingeroepen merken (de 'reclamefunctie');

o de mate waarin de uiting een eigen originele inbreng vertoont en de mate waarin gepoogd is verwarring of associatie te voorkomen met de ingeroepen merken, of de indruk dat er een commercieel of ander verband bestaat tussen de uiting en de merkhouder (de 'herkomstfunctie'), mede in aanmerking genomen de wijze waarop de merkhouder in reclame en communicatie een bepaald imago en reputatie heeft opgebouwd.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-206/01; 18 Conclusie van AG Maduro in Google, gevoegde zaken C-236/08 tot C-238/08; eBay, C-324/09; Red Bull v Leidseplein Beheer, C-65/12.

Specifiek beleidsterrein: EZK, JenV