C-299/20 Icade Promotion Logement

Contentverzamelaar

C-299/20 Icade Promotion Logement

Prejudiciële hofzaak    

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     26 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     12 oktober 2020

Trefwoorden : btw; winstmargeregeling;

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

 

Feiten:

Icade Promotion Logement (een verkavelaar, hierna: verzoeker) heeft de door haar gerealiseerde cessie van bouwterreinen aan particulieren in 2007 en 2008 onder het stelsel van btw over de winstmarge aangegeven. Verzoeker heeft de belastingdienst verzocht om teruggaaf van de daarover afgedragen belasting. De belastingdienst heeft dit geweigerd, waarop verzoeker het geschil aan de belastingrechter heeft voorgelegd. Verzoeker gaat in cassatieberoep tegen het tweede arrest van de cour administrative d’appel in het geding, waarbij die rechter, zonder te oordelen over de ontvankelijkheid, het verzoek tot teruggaaf van de vennootschap ongegrond heeft verklaard. Volgens verzoeker staat artikel 392 van de btw-richtlijn onderwerping van leveringen van bouwterreinen aan een winstmargeregeling slechts toe wanneer i) de belastingplichtige de btw heeft betaald bij de verwerving van de grond zonder recht te hebben op aftrek ervan en ii) de belastingplichtige zich ertoe beperkt terreinen te kopen en deze in ongewijzigde staat door te verkopen.

 

Overweging:

Ten eerste rijst de vraag of artikel 392 van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het de toepassing van de winstmargeregeling voorbehoudt aan leveringen van onroerend goed waarvan de verwerving aan de btw was onderworpen, zonder dat de belastingplichtige die deze goederen doorverkoopt het recht had deze belasting af te trekken, dan wel, zoals de Franse taalversie suggereert, dat deze regeling toegepast dient te worden op leveringen van onroerend goed die bij verwerving niet aan de btw waren onderworpen, omdat de verwerving buiten het btw-toepassingsgebied viel of omdat de verwerving, ook al bevond deze zich binnen het toepassingsgebied, ervan was ontheven.Ten tweede rijst de vraag of artikel 392 van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het de toepassing van een winstmargebelasting over leveringen van bouwterreinen uitsluit in de volgende twee situaties: de belastingplichtige heeft onbebouwd verworven grond tussen de verwerving en de doorverkoop veranderd in bouwterreinen, of de kenmerken van de grond zijn tussen het moment van verwerving en dat van doorverkoop door de belastingplichtige gewijzigd, bijvoorbeeld door verdeling in kavels of de uitvoering van werken om aansluiting op verschillende voorzieningen mogelijk te maken (wegen, drinkwater, elektriciteit, gas, riool, telecommunicatie). Deze vragen zijn bepalend voor de beslechting van het onderhavige geding en doen bij gebreke van rechtspraak van het Hof waarin het voorwerp en de strekking van de bepalingen worden verduidelijkt, ernstige uitleggingsproblemen rijzen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Dient artikel 392 van richtlijn [2006/112/EG van de Raad] van 28 november 2006 [betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde] aldus te worden uitgelegd dat de winstmargebelasting uitsluitend kan worden toegepast op leveringen van onroerend goed waarvan de verwerving aan de btw onderworpen is geweest, zonder dat de doorverkopende belastingplichtige die belasting kon aftrekken? Of laat dit artikel toe dat de winstmargebelasting wordt geheven over leveringen van onroerend goed waarover bij de verwerving geen btw verschuldigd was, omdat die verwerving buiten het toepassingsgebied ervan viel of omdat die verwerving daarvan was vrijgesteld?

2) Moet artikel 392 van richtlijn [2006/112] aldus worden uitgelegd dat het de toepassing van de winstmargeregeling op leveringen van bouwterreinen in de volgende twee gevallen uitsluit?

–          wanneer deze onbebouwd verworven gronden tussen het tijdstip van verwerving en de doorverkoop ervan door de belastingplichtige, bouwterrein zijn geworden;

–          wanneer de belastingplichtige tussen het tijdstip van verwerving en de doorverkoop ervan de kenmerken van de grond heeft gewijzigd, zoals door opsplitsing ervan in kavels of de uitvoering van werken om aansluiting op verschillende voorzieningen mogelijk te maken (wegen, drinkwater, elektriciteit, gas, riool, telecommunicatie).

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal