C-300/23 Kutxabank

Contentverzamelaar

C-300/23 Kutxabank

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    23 oktober 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    9 december 2023

Trefwoorden: oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, vereiste van transparantie

Onderwerp:

•            Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, overwegingen 12, 13, 19, 20 en 24, en artikelen 3, 5, 6 en 7;

•            Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, artikel 7.

Feiten:

Verzoekster heeft op 11 september 2006 een hypothecaire leningsovereenkomst gesloten met spaarbank KUTXABANK, met variabele rentevoet, onder verwijzing naar de IRPH met toepassing van een positieve spread. De IRPH (referentierente voor hypothecaire leningen) die van toepassing is op het contract bestaat uit het rekenkundig gemiddelde van de gewogen gemiddelde rentetarieven per hoofdsom van de in de referentiemaand van de index door alle spaarbanken verrichte nieuwe of herhaalde transacties van leningen. Verzoeker heeft een vordering ingesteld strekkende tot nietigverklaring van het beding waarbij de IRPH als referentierente werd vastgesteld voor de berekening van de variabele rente van zijn lening, omdat dit beding oneerlijk was.

Overweging:

De verwijzende rechter stelt dat het beding ter invoering van deze IRPH index niet transparant is en de consument niet in staat stelde de precieze economische gevolgen van zijn beslissing te kennen. Hij merkt op dat uit de rechtspraak van het Hof naar voren komt dat aan de consument alle gegevens moeten zijn meegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op grond waarvan hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen op basis van een informatieverplichting. Deze gegevens moeten gemakkelijk toegankelijk zijn voor iedereen. Daarnaast moet een redelijk oplettende en omzichtige consument in staat zijn te begrijpen dat die index werd berekend op basis van een gemiddelde van de rentevoeten van hypothecaire leningen met een looptijd van meer dan drie jaar voor de aankoop van een woning, met inbegrip van het gemiddelde van de marges die deze instellingen hanteren en de kosten die zij aanrekenen. De verwijzende rechter betwijfelt of in casu aan het vereiste van transparantie en aan de informatieverplichting van kredietinstellingen is voldaan. De verwijzende rechter is van oordeel dat het feit dat de relevante informatie door de verkoper werd weggelaten uit het beding kan neerkomen op een misleidende praktijk in de zin van richtlijn 2005/29, en een teken dat de verkoper niet te goeder trouw heeft gehandeld in de zin van richtlijn 93/13, waardoor een verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument is ontstaan.

Daarnaast is de verwijzende rechter van oordeel dat, ongeacht of de betrokken clausule de transparantietoets al dan niet doorstaat, onderzocht moet worden of dat beding oneerlijk is omdat zij het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Ook is de verwijzende rechter van oordeel dat de officiële aard van de index en de controle die daarop werd uitgevoerd niet betekent dat een beding aan de goede trouw en het passend evenwicht voldoet, zoals opgelegd door richtlijn 93/13. In rechtspraak van het Hof is bepaald dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het de nationale rechter de verplichting oplegt om de consument de keuze te bieden tussen enerzijds een herziening van de overeenkomst door het oneerlijk bevonden contractueel beding waarin een variabele rentevoet wordt vastgesteld, te vervangen door een beding dat verwijst naar een in de wet aanvullend vastgestelde index, en anderzijds een nietigverklaring van de volledige hypotheekovereenkomst indien deze niet kan voortbestaan zonder dat beding.

Prejudiciële vragen:

1) Kan, aangezien de Banco de España (Spaanse centrale bank) in circulaire nr. 5/1994 van 22 juli 1994 waarbij zij de IRPH (referentierente voor hypothecaire leningen) op de Spaanse hypotheekmarkt introduceerde, ook waarschuwde dat het zonder meer hanteren van die rente ertoe zou leiden dat het jaarlijks kostenpercentage (JKP) van de transactie hoger ligt dan het op de markt gangbare JKP en dat er een negatieve spread moest worden toegepast om die uitkomst te voorkomen, de omstandigheid dat geen rekening is gehouden met deze waarschuwing en dat er geen negatieve spread wordt toegepast, worden aangemerkt als een factor die in strijd met de goede trouw kan leiden tot de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG bedoelde verstoring van het evenwicht?

2) Kan de omstandigheid dat het door financiële instellingen toepassen van negatieve spreads, correctiecoëfficiënten of IRPH-percentages, zoals door de Banco de España wordt aangemoedigd, uitsluitend plaatsvindt wanneer hypothecaire leningen bestemd zijn voor de aanschaf van officieel beschermde woningen en er overheidstoezicht is, maar niet wanneer de lening bestemd is voor de aanschaf van een woning op de vrije markt en er geen overheidstoezicht is, een factor zijn die in strijd met de goede trouw kan leiden tot de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG bedoelde verstoring van het evenwicht?

3) Is het, aangezien sommige onderdelen van de JKP’s van hypothecaire leningen die op maandbasis zijn gebruikt om de IRPH Cajas (door spaarbanken gehanteerde referentierente voor hypothecaire leningen) te bepalen – zoals de afsluitprovisie en bepaalde kosten die voor rekening van de verkoper moesten komen – oneerlijk zijn verklaard, in strijd met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG dat een beding tot toepassing van de IRPH Cajas, die op maandbasis is vastgesteld aan de hand van gegevens die zijn verzameld op grond van oneerlijk verklaarde bedingen, nog steeds geldig is?

4) Staan de punten 51, 52, 54 en 55 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 maart 2020 in zaak C-125/18 in de weg aan nationale rechtspraak z oals die van de Spaanse Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), volgens welke de nationale rechter, zonder dat hij de in die punten genoemde verificaties hoeft te verrichten, ervan uit moet gaan dat een beding waarbij de IRPH wordt opgenomen in een tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst steeds de transparantietoets heeft doorstaan omdat die hypotheekrente wordt gedefinieerd in het Boletín Oficial del Estado (BOE, Spaanse staatsblad) en specifiek in circulaire 5/1994 van de Banco de España, gepubliceerd in BOE nr. 184 van 3 augustus 1994 op de bladzijden 25106 tot 25111, terwijl de consument daar niet op de hoogte van is?

5) Moet, om te voldoen aan het vereiste van transparantie waar het gaat om een beding in een hypothecaire lening met variabele rente die is gekoppeld aan een officieel rentetarief zoals de IRPH, welke als gevolg van de berekeningswijze ervan niet uitsluitend de rente weerspiegelt, maar tevens impliceert dat een moeilijk te berekenen spread wordt toegepast om te kunnen vergelijken met andere rentetarieven en voor de consument het risico meebrengt dat hij provisies deels tweemaal moet betalen, artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling of rechtspraak volgens welke het de verkoper is toegestaan om de volgende informatie niet in de overeenkomst op te nemen of niet voldoende lang vóór het sluiten van de overeenkomst expliciet aan de consument te verstrekken:

a. het feit dat de referentierente niet alleen de rente, maar ook de provisies weerspiegelt;

b. de feitelijke verhoging die dat met zich meebrengt;

c. het gegeven of er een negatieve spread wordt toepast op de referentierente om deze verhoging te compenseren,

zodat de consument gemakkelijk een echte vergelijking kan maken tussen de verschillende mogelijke referentierentes, kan nagaan of hij op basis van de te sluiten overeenkomst provisies deels tweemaal zal moeten betalen en wat het bedrag daarvan zal zijn, en in voorkomend geval daartegen kan opkomen?

6) Verdraagt nationale rechtspraak zoals die van de Spaanse Tribunal Supremo, volgens welke de verantwoordelijkheid om de consument te informeren over hoe de methode voor de berekening van de IRPH werkt en welke financiële gevolgen hieruit voortvloeien, niet rust op de verkoper die een overeenkomst aangaat, maar op de consument, die geen financiële kennis heeft en deze informatie zelf moet opzoeken door een in het BOE gepubliceerde definitie te vinden en te begrijpen, waarbij het verder zo is dat die definitie geen expliciete informatie bevat over het feit dat de referentierente spreads en kosten omvat, maar de consument dit zelf moet afleiden uit het feit dat het rentetarief op maandbasis wordt vastgesteld door middeling van de JKP’s van de referentietransacties, zich met punt 57 van de opmerkingen van de Europese Commissie van 31 mei 2018, de punten 2 en 125 van de conclusie van de advocaat-generaal van 10 september 2019 en de punten 51, 52, 54 en 55 van het arrest van het Hof van 3 maart 2020 in zaak C-125/18?

7) Is een uitlegging van de punten 53 en 56 van het arrest van het Hof in zaak C-125/18 volgens welke de enkele bekendmaking van de definitie van de IRPH in het BOE de consument die een overeenkomst aangaat in staat stelt om te weten dat het rentetarief de door de financiële instellingen gehanteerde spreads en kosten omvat, verenigbaar met de vaste rechtspraak van het Hof dat de consument waar het gaat om informatie in een zwakkere positie verkeert dan de verkoper met wie hij een overeenkomst sluit, alsmede met punt 2 van de conclusie van de advocaat-generaal van 10 september 2019, waarin wordt aangegeven dat de gemiddelde consument niet in staat is om bepaalde begrippen, zoals „rente”, „referentierente” of „jaarlijks kostenpercentage” (JKP), en met name de verschillen tussen deze begrippen te begrijpen en dat dit ook geldt voor de feitelijke berekeningswijze, niet alleen van de variabele rente maar ook van de officiële rentetarieven voor hypothecaire leningen en van de JKP’s op basis waarvan deze rentetarieven worden berekend?

8) Verdraagt een uitlegging van de punten 53 en 56 van het arrest van het Hof in zaak C-125/18 volgens welke de consument op basis van de in het BOE gepubliceerde definitie in staat is om te weten dat de IRPH spreads en kosten omvat, zich met de vaste rechtspraak van het Hof dat de consument waar het gaat om informatie in een zwakkere positie verkeert dan de verkoper met wie hij een overeenkomst sluit, alsmede met punt 2 van de conclusie van de advocaat-generaal van 10 september 2019, ook al dient die consument te weten wat een JKP is en waar dit voor staat om daaruit te kunnen afleiden dat, aangezien de IRPH Cajas wordt vastgesteld op basis van een rekenkundig gemiddelde van JKP’s, hierin noodzakelijkerwijs de door de financiële instellingen gehanteerde provisies, spreads en kosten worden opgenomen?

9) Geldt de in de beschikking van het Hof van 17 november 2021 in zaak C-655/20 genoemde vrijstelling van de verplichting voor de verkoper om in een overeenkomst de volledige definitie op te nemen van de referentierente die wordt gebruikt om de variabele rente te berekenen en om een informatiebrochure te verstrekken waarin de schommelingen van de referentierente in het verleden worden geschetst, absoluut en onvoorwaardelijk of is deze vrijstelling daarentegen verbonden aan de voorwaarde dat de consument die een overeenkomst aangaat reeds op basis van de informatie die door de verkoper aantoonbaar is verstrekt, in staat is om te begrijpen hoe de methode voor de berekening van de aan de orde zijnde referentierente werkt en dus op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de mogelijk aanzienlijke gevolgen voor zijn financiële situatie kan beoordelen?

10) Heeft die vrijstelling ook betrekking op situaties waarin de verplichting om in een overeenkomst de volledige definitie op te nemen van de referentierente die wordt gebruikt om de variabele rente te berekenen en om de informatiebrochure te verstrekken waarin de schommelingen van de referentierente in het verleden worden geschetst, voortvloeit uit de ten tijde van het sluiten van die overeenkomst geldende nationale regeling?

11) Kan, aangezien richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt van toepassing is, het niet verstrekken door de verkoper van belangrijke informatie zoals de specifieke werking van de methode voor de berekening van de IRPH, het feit dat deze rente wordt berekend aan de hand van de JKP’s van de referentietransacties, met het gevolg dat de gemiddelde spreads, provisies en kosten van deze transacties in de nominale waarde van die rente worden opgenomen, het feit dat de IRPH sinds de introductie ervan voortdurend hoger ligt dan de Euribor, gelet op de waarschuwing van de Banco de España aan de financiële instellingen om een negatieve spread toe te passen teneinde te voorkomen dat het JKP van de transactie hoger ligt dan het op de markt gangbare JKP, als een misleidende omissie in de zin van artikel 7 van deze richtlijn worden aangemerkt?

12) Kan, indien de nationale rechter tot de conclusie komt dat de praktijk van de verkoper misleidend was in het licht van richtlijn 2005/29/EG, zonder meer worden aangenomen dat diens gedrag in strijd met de goede trouw leidt tot de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG bedoelde aanzienlijke verstoring van het evenwicht, of is het mogelijk dat een verkoper misleidend handelt in de zin van richtlijn 2005/29/EG maar te goeder trouw handelt in de zin van richtlijn 93/13/EEG?

13) Wordt het doeltreffendheidsbeginsel geschonden door nationale rechtspraak zoals die van de Spaanse Tribunal Supremo, volgens welke, wanneer het beding waarbij de IRPH Cajas wordt opgenomen in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper de transparantietoets niet heeft doorstaan, artikel 83 van de Texto Refundido de la Ley General para la Defensa de los Consumidores y Usuarios (geconsolideerde tekst van de algemene wet ter bescherming van consumenten en gebruikers) en artikel 5, lid 5, van Ley 7/98 de Condiciones Generales de la Contratación (wet 7/98 inzake de algemene voorwaarden in overeenkomsten) van 13 april 1998 niet met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast, waardoor er twee beschermingsniveaus met betrekking tot hetzelfde oneerlijke beding zijn, te weten een voor consumenten die vóór die wijziging een overeenkomst hebben gesloten en een ander voor consumenten die nadien een overeenkomst hebben gesloten?

14) Wordt het doeltreffendheidsbeginsel geschonden door nationale rechtspraak zoals die van de Spaanse Tribunal Supremo, volgens welke het gebrek aan transparantie van een beding dat betrekking heeft op de in een overeenkomst opgenomen prijs, zoals een „bodemrentebeding”, ertoe leidt dat het beding oneerlijk is omdat het misleidende onderdelen bevat, maar het gebrek aan transparantie van het beding waarbij de IRPH Cajas in de overeenkomst wordt opgenomen, daar niet toe leidt, ook al gaat het om een beding dat ook van invloed is op de prijs van de overeenkomst?

15) Verdraagt nationale rechtspraak zoals die van de Spaanse Tribunal Supremo, volgens welke er niet kan worden gesteld dat de verkoper niet te goeder trouw heeft gehandeld wanneer hij gebruik heeft gemaakt van een officiële, door de Banco de España gereguleerde hypotheekrente, die de overheid doorgaans hanteert in haar programma’s voor officieel beschermde woningen, en er dus steeds wordt aangenomen dat de verkoper te goeder trouw heeft gehandeld, zonder dat nader hoeft te worden onderzocht of de verkoper ervan mocht uitgaan dat de consument – wanneer hij eerlijk en billijk wordt behandeld – bij afzonderlijke onderhandelingen een dergelijk beding zou hebben geaccepteerd, zich met punt 69 van het arrest van het Hof van 14 maart 2013 in zaak C-415/11 en met het begrip verstoring van het evenwicht „in strijd met de goede trouw”?

16) Moet punt 69 van het arrest van het Hof van 14 maart 2013 in zaak C-415/11, in het kader van een geschil over het opnemen van de IRPH Cajas in een overeenkomst om de desbetreffende vergoeding te bepalen, aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter dient te onderzoeken of de verkoper ervan uit mocht gaan dat de consument, die de werking van de methode voor de berekening van de IRPH Cajas kende, op de hoogte was van de schommelingen van die IRPH in ten minste de twee jaar voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst en ervan op de hoogte was gesteld dat de Banco de España in circulaire 5/94 had gewaarschuwd dat in voorkomend geval een negatieve spread moest worden toegepast – een waarschuwing die door de verkoper niet in acht werd genomen – bij afzonderlijke onderhandelingen een dergelijk beding zou hebben geaccepteerd?

17) Moet punt 67 van het arrest van het Hof van 26 januari 2017 in zaak C-421/14 aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter, waar het gaat om een beding waarbij de IRPH Cajas in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument wordt opgenomen, om te bepalen of er sprake is van een met de goede trouw strijdige verstoring van het evenwicht, de methode voor de berekening van die rente moet vergelijken met de methode die is gebruikt om de Euribor – de meest gebruikelijke referentierente – te bepalen, en de daaruit in beide gevallen voortvloeiende werkelijke tarieven voor leningen van een gelijkwaardig bedrag en met een gelijkwaardige looptijd moet vergelijken?

18) Is het, om overeenkomstig punt 67 van het arrest van 26 januari 2017 in zaak C 421/14 te bepalen of een beding waarbij de IRPH Cajas wordt opgenomen in een tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst, aanleiding geeft tot een verstoring van het evenwicht in strijd met de goede trouw, relevant dat de werkelijke rente die voortvloeit uit de berekening van de Euribor de prijs vertegenwoordigt waartegen financiële instellingen het geld verwerven dat zij vervolgens aan hun cliënten uitlenen, terwijl het werkelijke rentetarief dat resulteert uit de berekening van de IRPH Cajas en dat altijd hoger is, de totale kosten vertegenwoordigt die worden gedragen door de cliënten aan wie de spaarbanken dat geld hebben uitgeleend?

19) Is er sprake van schending van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG wanneer, nadat het beding waarbij de IRPH Cajas wordt opgenomen in een tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk is bevonden en is gebleken dat de overeenkomst zonder dat beding niet kan voortbestaan, dat beding op grond van de 15de aanvullende bepaling van Ley 14/2013 de apoyo a los emprendedores y su internacionalización (wet 14/2013 ter ondersteuning van ondernemers en hun internationalisering) van 27 september 2013 wordt vervangen, aangezien dit tot gevolg zou hebben dat de door de nationale rechter onrechtmatig verklaarde onevenwicht ten gunste van de verkoper blijft bestaan en deze aanvullende bepaling tot doel had de referentierente automatisch te vervangen en te waarborgen dat dit geen afbreuk zou doen aan de situatie die bestond vóór de afschaffing van die referentierente?

20) Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG, gelet op het feit dat alle punten van kritiek die op de IRPH Cajas kunnen worden gemaakt volgens de Banco de España zouden zijn geneutraliseerd indien een negatieve spread was toegepast, aldus worden uitgelegd dat het, wanneer het beding waarbij de IRPH Cajas wordt opgenomen in een tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk is bevonden, er niet aan in de weg staat dat de nationale rechter met terugwerkende kracht de in de overeenkomst opgenomen spread vervangt door de negatieve spread die bij het sluiten van de overeenkomst had moeten worden toegepast, en gelast dat de consument het ten onrechte aangerekende bedrag, vermeerderd met rente, terug krijgt betaald, teneinde de nietigheid van de overeenkomst te voorkomen en deze om te zetten in de overeenkomst die volgens de waarschuwing van de Banco de España had moeten worden gesloten?

21) Is er sprake van schending van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG wanneer, nadat het beding waarbij de IRPH Cajas wordt opgenomen in een tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk is bevonden en de overeenkomst nietig is verklaard omdat zij zonder dat beding niet kan voortbestaan, artikel 1303 Código Civil (burgerlijk wetboek) wordt toegepast met het gevolg dat de overtreder wordt bevoordeeld omdat hij het volledige bedrag van de lening terugkrijgt, vermeerderd met de wettelijke rente, die hoger is dan de rente uit de overeenkomst en die vanaf de eerste dag van toepassing is op het gehele geleende bedrag?

22) Moet artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG, aangezien het gaat om een standaardovereenkomst met algemene voorwaarden waarover niet is onderhandeld en die zijn opgelegd door de verkoper, die als enige verantwoordelijk is voor het opnemen van oneerlijke bedingen met betrekking tot essentiële onderdelen als de prijs, aldus worden uitgelegd dat de verkoper verantwoordelijk is voor de onrechtmatige oorzaak die tot de nietigheid van die overeenkomst in haar geheel heeft geleid, en dat bijgevolg artikel 1306, lid 2, van het burgerlijk wetboek van toepassing is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:, C-125/18; C-655/20; Unión de Créditos Inmobiliarios, C-79/21; Banco Primus, C-421/14; C-415/11; C-260/18; D.B.P. e.a. (Hypothecair krediet in vreemde valuta), C-80/21 tot en met C-82/21

Specifiek beleidsterrein: EZK