C-302/20 A

Contentverzamelaar

Terug C-302/20 A

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 september 2020
Schriftelijke opmerkingen:                      8 november 2020

Trefwoorden : marktmisbruik;

Onderwerp :

-           Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik);

-           Richtlijn 2003/124/EG van de Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad;

-           Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik);

 

Feiten:

A, een financieel journalist, heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de sanctiecommissie van de autoriteit financiële markten (hierna: sanctiecommissie). De sanctiecommissie heeft A namelijk een geldstraf van €40.000 opgelegd vanwege het feit dat A in het onlinedagblad waarbij hij was tewerkgesteld, informatie bekend heeft gemaakt over de aanstaande publicatie van persartikelen betreffende marktgeruchten over emittenten van financiële instrumenten. De sanctiecommissie heeft gesteld dat de mededeling van die informatie een wederrechtelijke openbaarmaking van voorwetenschap vormde. A vordert de nietigverklaring van dit besluit. Hij voert in wezen aan dat een dergelijke kwalificatie niet verenigbaar is met de aard van het beroep van financieel journalist. De autoriteit financiële markten stelt dat de openbaarmaking van die informatie niet voor journalistieke doeleinden heeft plaatsgevonden.

 

Overweging:

De verwijzende rechter is van mening dat het, om uitspraak over het hoofdgeding te kunnen doen, vragen dient voor te leggen aan het Hof over de uitlegging van (i) het begrip voorwetenschap in de zin van artikel 1.1) van richtlijn 2003/6 en artikel 1(1) van richtlijn 2003/124 wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft, en (ii) de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 10 en 21 van de verordening marktmisbruik.

 

Prejudiciële vragen:

1) a) Moet artikel 1, punt 1), eerste alinea, van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124/EG van de Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft, aldus worden uitgelegd dat informatie over de aanstaande publicatie van een persartikel betreffende marktgeruchten over een emittent van financiële instrumenten, kan voldoen aan het in die artikelen bedoelde concreetheidsvereiste voor de kwalificatie als voorwetenschap?

b) Speelt de omstandigheid dat het persartikel, waarvan de aanstaande publicatie de desbetreffende informatie vormt, - bij wijze van marktgerucht - de prijs van een openbaar overnamebod vermeldt, een rol bij de beoordeling van de vraag of de betrokken informatie concreet van aard is?

c) Zijn de bekendheid van de journalist van wiens hand het artikel is, de reputatie van het persorgaan dat dit heeft gepubliceerd en de werkelijk aanzienlijke invloed („ex post”) van deze publicatie op de koers van de aandelen waarop deze publicatie betrekking heeft, relevante criteria voor de beoordeling van de concrete aard van de betrokken informatie?

2) Indien het antwoord luidt dat de informatie waar het hier om gaat aan het nodige concreetheidsvereiste kan voldoen: a) Moet artikel 21 van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie, dan aldus worden uitgelegd dat wanneer een journalist aan een van zijn reguliere bronnen informatie openbaar maakt over de aanstaande publicatie van een door hem geschreven artikel betreffende marktgeruchten, dit een openbaarmaking is die „ten behoeve van journalistieke doeleinden” is geschied?

b) Hangt het antwoord op deze vraag er met name van af of de journalist al dan niet door deze bron van het marktgerucht op de hoogte is gebracht dan wel of de openbaarmaking van de aanstaande publicatie van het artikel al dan niet nuttig was om van deze bron verduidelijkingen te verkrijgen over de geloofwaardigheid van het gerucht?

3) Moeten de artikelen 10 en 21 van verordening (EU) nr. 596/2014 aldus worden uitgelegd dat het, zelfs wanneer voorwetenschap door een journalist „ten behoeve van journalistieke doeleinden” in de zin van artikel 21 openbaar wordt gemaakt, voor de beoordeling van de vraag of deze openbaarmaking al dan niet wederrechtelijk is, nodig is om na te gaan of zij heeft plaatsgevonden „uit hoofde van de normale uitoefening van [...] [het journalistieke] beroep” in de zin van artikel 10?

4) Moet artikel 10 van verordening (EU) nr. 596/2014 aldus worden uitgelegd dat de openbaarmaking van voorwetenschap, wil deze in de normale uitoefening van het journalistieke beroep plaatsvinden, strikt noodzakelijk moet zijn voor de uitoefening van dit beroep en in overeenstemming met het evenredigheidbeginsel?”

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-19/11; C-628/13; C-73/07; C-345/17; C-384/02; C-45/08;

Specifiek beleidsterrein: