C-311/24 Bundeswettbewerbsbehorde

Contentverzamelaar

C-311/24 Bundeswettbewerbsbehorde

Prejudiciële hofzaak     

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    12 juli 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    28 augustus 2024

Trefwoorden: kwalificatie sanctie; strafcumulatie; mededinging

Onderwerp: 
-    Richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen: artikel 6, lid 1, onder e), en lid 1, laatste volzin;
-    Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag: artikel 25;
-    Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie: artikel 101, lid 3 en artikel 102.

Feiten:
Verwerende partij is ‘M. GmbH’, een detailhandel in levensmiddelen. Zij werd door de coronapandemie economisch zwaar getroffen, vanwege het gebrek aan klanten en de stijging van haar kosten. Zij heeft daarom haar leveranciers een verzoek gedaan om financiële steun. Verzoekende partij, een mededingingsautoriteit, heeft zestien vorderingen ingediend voor het opleggen van een geldboete aan verwerende partij, omdat de verzoeken tot betaling geen verband zouden houden met de verkoop van landbouw- en voedingsproducten. Hiermee is door verwerende partij in strijd gehandeld met het nationale recht. 

Overweging:
De verwijzende rechter twijfelt over of de verschillende geldboetes kunnen worden opgelegd, of dat de betalingsverzoeken als één inbreuk gezien moeten worden waar slechts één geldboete voor opgelegd kan worden. In Oostenrijk wordt voor inbreuken op het mededingingsrecht namelijk ‘een enkele voortdurende inbreuk’ toegepast, waarbij de geldboete als een strafrechtelijke sanctie wordt gezien. De twijfel bij de verwijzende rechter is ontstaan omdat de nationale regelgeving een omzetting is van richtlijn 2019/633, welke geen mededingingsrechtelijke grondslag heeft. Er wordt daarom gevraagd of de nationale regelgeving inzake de cumulatie van straffen in overeenstemming is met de richtlijn. 

Prejudiciële vragen:
1.a. Moet artikel 6, lid 1, onder e), van richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen aldus worden uitgelegd dat deze bepaling, in een geval waarin een afnemer op grond van een uniform gemotiveerd wilsbesluit op dezelfde dag meerdere leveranciers die krachtens artikel 1 van die richtlijn worden beschermd, in strijd met artikel 3, lid 1, onder d), van die richtlijn, elk afzonderlijk om een betaling verzoekt, in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan die betalingsverzoeken in hun geheel als één enkele inbreuk (eenheid van feit) worden beschouwd waarvoor slechts één keer een sanctie mag worden opgelegd? 
1.b. Is het voor het antwoord op vraag 1.a. van belang, gelet op het vereiste van artikel 6, lid 1, laatste volzin, van richtlijn 2019/633, dat bepaalt dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en rekening houden met de aard, de duur, de herhaling en de ernst van de inbreuk, dat daarvoor volgens de nationale Oostenrijkse sanctiebepaling (§ 6, lid 2, FBWG) een geldboete van maximaal (slechts) 500 000 EUR kan worden opgelegd? 

2. Indien vraag 1.a. bevestigend wordt beantwoord: 
Moet artikel 6, lid 1, onder e), van richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen aldus worden uitgelegd dat elk betalingsverzoek aan een leverancier – voor zover dat in strijd is met het verbod van artikel 3, lid 1, onder d), van richtlijn 2019/633 – moet worden beschouwd als een zelfstandig te bestraffen handelspraktijk waarvoor volgens het cumulatiebeginsel telkens een afzonderlijke sanctie (geldboete), dus meer dan één geldboete, moet worden opgelegd, waarbij er rekening mee moet worden gehouden dat de nationale Oostenrijkse sanctiebepaling (§ 6, lid 2, FBWG) voorziet in het opleggen van een geldboete van maximaal 500 000 EUR?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-49/92 P Commissie/Anic Partecipazioni; T-321/05 AstraZeneca/Commissie ; C-489/10; C-293/13 P en C-294/13 P Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce; C-642/13 P Villeroy & Boch – Belgium/Commissie; C-524/15; C-64/18, C-140/18, C-146/18 en C-148/18; C-702/19; C-151/20; C-697/19 P Sony Corporation en Sony Electronics/Commissie; C-700/19 P Toshiba Samsung Storage Technology en Toshiba Samsung Storage Technology Korea/Commissie; C-746/21 P Altice Group Lux/Commissie

Specifiek beleidsterrein: EZK; JenV