C-331/25 Menhoff
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 29 juli 2025 Schriftelijke opmerkingen: 15 september 2025
Trefwoorden: Ziektekostenverzekering, verzekeringsplicht Wlz, sociale zekerheid
Onderwerp: Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels: Artikel 3 eerste lid in samenhang met artikel 1 aanhef en sub 1.
Appellante woont in Nederland, maar is uitsluitend in Duitsland werkzaam geweest en ontvangt sinds december 2018 een Duits wettelijk pensioen. Sinds 1991 is appellante particulier verzekerd voor ziektekosten in Duitsland (met basistarief) en is zij van mening dat haar verzekering een volwaardige vervanger van de wettelijke ziektekostenverzekering is. Appellante heeft in november 2018 in Nederland een verklaring ‘niet Wet langdurige zorg verzekerd’ verzocht en deze is door de Sociale verzekeringsbank (SVB) afgewezen. Hierdoor blijft zij in Nederland verplicht verzekerd. Volgens de SVB wordt de particuliere zorgverzekering van de appellante niet gecoördineerd door verordening 883/2004. De Centrale Raad van Beroep vraagt het Hof hoe de Duitse particuliere verzekering in het licht van deze verordening moet worden uitgelegd.
Prejudiciële vraag: Moet artikel 3, eerste lid, in samenhang met artikel 1, aanhef en onder l, van Vo 883/2004 zo worden uitgelegd dat de Duitse particuliere ziektekostenverzekering met basistarief als hier aan de orde moet worden aangemerkt als wetgeving betreffende een prestatie bij ziekte, zodat deze ziektekostenverzekering valt onder de materiële werkingssfeer van deze verordening?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-345/09 , C-502/01 en C-31/02, C-116/23, C-160/96, C-61/65, C-45/90 , C-8/02.
Specifiek beleidsterrein: VWS; SZW