C-335/23 Qatar Airways

Contentverzamelaar

C-335/23 Qatar Airways

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     31 juli 2023
Schriftelijke opmerkingen:                     17 september 2023

Trefwoorden: passagiersrechten

Onderwerp: Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91: artikel 3, lid 3, eerste en tweede alternatief  en artikel 8, lid 1, onder c.

Feiten:

De verzoekende partij MN beschikt over een betaalde en bevestigde boeking bij de verwerende partij Qatar Airways. De verzoekende partij heeft de tickets in het kader van een door verwerende partij georganiseerde actie met een strikt beperkte geldigheidsduur geboekt. Als gevolg van de coronapandemie zijn de betrokken vluchten door verwerende partij geannuleerd en heeft de verzoekende partij een andere vlucht gevorderd. De rechter in eerste aanleg heeft het door de verzoekende partij ingestelde beroep bij vonnis van 18 juli 2022 verworpen. De verzoekende partij heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en vordert nu na de wijziging van de vordering in hoger beroep dat de andere vlucht in de zomer van 2023 wordt uitgevoerd. De verwerende partij weigert dit.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter hangt het slagen van het hoger beroep af van de vraag of de passagiersrechtenverordening in casu van toepassing is. De verwijzende rechter vraagt zich o.a. af of de passagier „gratis” als bedoeld in artikel 3, lid 3, eerste alternatief, van de passagiersrechtenverordening reist, wanneer de passagier alleen de luchtvaartbelasting en de heffingen hoeft te betalen. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, dat wil zeggen dat de passagier niet gratis reist wanneer hij enkel de belastingen en heffingen hoeft te betalen, is het voor de beslissing op het hoger beroep voorts van belang of er bij de actie sprake is van een gereduceerd tarief dat niet rechtstreeks of indirect voor het publiek toegankelijk is.

De verwijzende rechter vraagt zich ook af of de rechtspraak van de hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken in casu van toepassing is, waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een voor het publiek toegankelijk tarief waardoor de passagiersrechtenverordening van toepassing kan zijn. Indien de eerste en tweede vraag ontkennend worden beantwoord en de passagiersrechtenverordening dus van toepassing is, hangt de beslissing op het hoger beroep voorts van de vraag af of de andere vlucht als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c), van de passagiersrechtenverordening qua tijdstip verband moet houden met de oorspronkelijk geboekte reis. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of de bewoordingen van de bepaling aldus kunnen worden uitgelegd dat er als ongeschreven criterium een tijdsverband moet bestaan tussen de oorspronkelijke vlucht en de andere vlucht.

Prejudiciële vragen:

1. Moet verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 aldus worden uitgelegd dat de passagier in de zin van artikel 3, lid 3, eerste alternatief, van de verordening gratis reist, wanneer hij voor het ticket enkel heffingen en luchtvaartbelasting hoeft te betalen?

2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Moet verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 aldus worden uitgelegd dat er geen sprake is van een tarief dat in de zin van artikel 3, lid 3, tweede alternatief, van de verordening (indirect) voor het publiek toegankelijk is, indien de vlucht is geboekt in het kader van een actie van een luchtvaartmaatschappij die in tijd en hoeveelheid beperkt was en enkel voor een bepaalde beroepsgroep toegankelijk was?

3. Indien de tweede vraag eveneens ontkennend wordt beantwoord en verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 van toepassing wordt geacht:

a. Moet artikel 8, lid 1, onder c), van de verordening aldus worden uitgelegd dat er een tijdsverband moet bestaan tussen de oorspronkelijk geboekte en geannuleerde vlucht en de gewenste andere vlucht op een latere datum?

b. Zo ja, hoe moet dit tijdsverband dan worden afgebakend?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -

Specifiek beleidsterrein: IenW

Gerelateerde documenten