C-335/25 Osswicz   

Contentverzamelaar

C-335/25 Osswicz   

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     23 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     9 februari 2026

Trefwoorden: vermoeden van onschuld, voorrang Unierecht, doeltreffendheid, rechtsbescherming

Onderwerp: VEU: artikel 2, artikel 4, lid 3, artikel 6, en artikel 19, lid 2; Handvest van de grondrechten: artikel 47; Richtlijn (EU) 2016/343 (vermoeden van onschuld): overweging 16, artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 10, lid 1.

Verzoeker XY is een openbare aanklager en wordt ervan verdacht een strafbare handeling te hebben gepleegd. Op basis van het Poolse recht kunnen openbare aanklagers niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden en in bewaring worden gesteld zonder dat een tuchtrechter daarmee heeft ingestemd. De Kamer voor beroepsaansprakelijkheid (IOZ) heeft in deze zaak ingestemd om XY strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. De centrale vraag is of de IOZ wel een rechterlijke instantie is in de zin van het Unierecht, vanwege twijfels over onregelmatigheden bij de vormgeving van de IOZ (o.a. wat betreft de wijze waarop rechters worden aangewezen om zitting te nemen in de kamer). In dit kader komen vragen op over de waarborging van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. 

Prejudiciële vragen: 
1) Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 6, leden 1 tot en met 3, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47, eerste en tweede volzin, van het Handvest van de grondrechten, aldus worden uitgelegd dat geen sprake is van een bij wet ingesteld gerecht in de zin van het Unierecht wanneer de betreffende rechterlijke instantie onder meer is samengesteld uit leden van de Izba Odpowiedzialności Zawodowej (kamer voor beroepsaansprakelijkheid) van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen), die naar aanleiding van de herziening van de in 2017 vastgestelde ustawa o Sądzie Najwyższym (wet inzake de Sąd Najwyższy) [ustawa o zmianie ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet inzake de Sąd Najwyższy en bepaalde andere wetten) van 9 juni 2022 (Dz. U. 2022, volgnr. 1259)] in de plaats is gekomen van de Izba Dyscyplinarna (tuchtkamer) van de Sąd Najwyższy, en die bevoegd is voor het toetsen van beslissingen in tuchtprocedures die worden gevoerd tegen onder meer rechters en openbaar aanklagers [artikel 3, punt 4a, artikel 27a, en artikel 73, lid 1, van de ustawa o Sądzie Najwyższym van 8 december 2017, zoals gewijzigd bij de geconsolideerde tekst van 23 april 2024 (Dz. U. 2024, volgnr. 622, geconsolideerde tekst)]? 
2) Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen en de beginselen van voorrang en doeltreffendheid, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 en 2, artikel 10, lid 1, en overweging 16, eerste volzin, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, aldus worden uitgelegd dat zij een nationale rechterlijke instantie, die een zaak behandelt betreffende een strafbaar feit dat is gepleegd door een persoon die de functie van openbaar aanklager vervult, verplichten (of machtigen) om ten aanzien van de uitspraken van de Sąd Najwyższy in zaken die zijn behandeld door de Izba Odpowiedzialności Zawodowej te veronderstellen dat de immuniteit van de verdachte niet onherroepelijk is opgeheven, welke opheffing een noodzakelijke voorwaarde is voor de vaststelling van de beschuldiging en de opstelling van de tenlastelegging, alsook voor de afdoening van zijn zaak?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-619/18 Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy); C-585/18, C-624/18 en C-625/18 A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy); C-824/18 A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep).

Specifiek beleidsterrein: JenV