C-342/25 Stogenchev
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 31 juli 2025 Schriftelijke opmerkingen: 17 september 2025
Trefwoorden: strafrecht, onrechtmatige bewijsgaring, rechtsbescherming
Onderwerp: VEU: artikel 19, lid1, tweede alinea; Handvest: artikel 47 en artikel 51, lid 1; Richtlijn 2012/13 (recht op informatie in strafprocedures); EU-overeenkomst ter bestrijding van corruptie.
Bij een strafrechtelijke onderzoek naar twee politieagenten (op verdenking van corruptie) is er bewijs verzameld via bijzondere opsporingsmethoden zoals verborgen camera’s en gemarkeerde bankbiljetten. De bewijsgaring bevatte procedurele onregelmatigheden, waardoor het op grond van het nationale recht uitgesloten moet worden van de strafzaak. De Bulgaarse rechter vraagt of deze bewijzen in het licht van het Unierecht ‘standaard’ mogen worden uitgesloten, ook als het bewijs ontlastend kan zijn voor de verdachten. Daarnaast wordt gevraagd of de verdachten op de hoogte gesteld mogen worden van het uitsluiten van het bewijs, zodat zij hun verdediging hier op kunnen voorbereiden.
Prejudiciële vragen: 1. Is een uitlegging van een grondwettelijke bepaling die de verdachte recht op rechtsbescherming in gerechtelijke procedures garandeert (artikel 122, lid 1, van de grondwet van de Republiek Bulgarije), volgens welke: - het recht op rechtsbescherming tegen een tijdens de bewijsgaring begane schending van de privésfeer van de verdachten tot uitdrukking komt in het verbod op het gebruik van de desbetreffende verkregen bewijzen, en - het recht op rechtsbescherming tegen gerechtelijke vervolging eveneens tot uitdrukking komt in het verbod op het gebruik van de desbetreffende verkregen bewijzen, verenigbaar met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest wanneer er hooguit sprake is van een minimale schending van de privésfeer van de verdachten, deze schending geen gevolgen heeft voor de betrouwbaarheid van de verkregen bewijzen, al deze bewijzen ontlastend alsook van wezenlijk belang zijn ter onderbouwing van de verklaring van onschuld van de verdachten en de naar behoren over de onregelmatige bewijsgaring geïnformeerde verdachten na overleg met hun advocaten uitdrukkelijk te kennen geven dat zij de bewijzen willen gebruiken? 2. Is een uitlegging van het nationale recht die inhoudt dat, wanneer de rechter vaststelt dat sommige bewijzen wegens procedurele onregelmatigheden mogelijkerwijs niet mogen worden gebruikt of vanwege deze onregelmatigheden helemaal niet mogen worden gebruikt, hij de verdachten daarvan in kennis stelt zodat zij hun verdediging in het licht daarvan kunnen voorbereiden, verenigbaar met artikel 7, leden 2 en 3, van richtlijn 2012/13 en met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-419/14 WebMindLicenses; C-310/16; C-245/19 en C-246/19 État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken); C-357/19, C-379/19, C-547/19, C-811/19 en C-840/19 Euro Box Promotion e.a.; C-824/18 A.B. e. a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep); C-585/18, C-624/18 en C-625/18 A. K. e.a.
Specifiek beleidsterrein: JenV