C-348/21 HYA e.a.

Contentverzamelaar

C-348/21 HYA e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:   21 september 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    7 november 2021

Trefwoorden : vermoeden van onschuld; recht op aanwezigheid in strafprocedures

Onderwerp :

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

-           Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van  onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te  zijn;

Feiten:

De bijzonder openbaar aanklager heeft tegen vijf personen strafvervolging ingesteld wegens deelneming aan een criminele organisatie (illegaal smokkelen van derdelanders naar Bulgarije). In de fase van het opsporingsonderzoek zijn de gesmokkelde migranten verhoord door de opsporingsautoriteiten (deels ten overstaan van een rechter). Bij die verhoren was op dat moment nog geen verdediging aanwezig. De openbaar aanklager achtte het niet noodzakelijk om de getuigen opnieuw te verhoren in aanwezigheid van de verdediging. Op dat tijdstip was het de openbaar aanklager reeds bekend dat tegen deze getuigen uitzettingsbesluiten waren vastgesteld, zodat de kans gering was dat de getuigen tijdens de gerechtelijke procedure beschikbaar zouden zijn. Nadat de tenlastelegging bij de rechtbank was binnengekomen, heeft de rechtbank tevergeefs getracht deze getuigen te vinden en op te roepen om hen in aanwezigheid van de verdediging te kunnen horen. Ter terechtzitting verzocht de openbaar aanklager om voorlezing van de verklaringen van deze getuigen. Hierdoor zijn de verklaringen deel gaan uitmaken van het bewijsmateriaal op grond waarvan de rechter de zaak beslist. De verdediging verzet zich tegen de voorlezing. Zij stelt uitdrukkelijk dat zij daardoor zou worden beroofd van haar recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Zij voert aan dat de getuigen bewust op deze wijze ten overstaan van de rechter zijn verhoord om de verdediging de mogelijkheid tot deelname aan het verhoor te ontnemen en benadrukt dat de openbaar aanklager geweigerd heeft om een aanvullend verhoor in aanwezigheid van de verdediging te laten plaatsvinden.

Overweging:

De verklaringen zijn van wezenlijk belang voor de beoordeling van de schuld van de verdachten. Zij liggen ten grondslag aan de tenlastelegging. De vraag rijst in de gerechtelijke fase, aangezien de rechter de getuigenverklaringen volgens de nationale wet in die fase van de procedure moet voorlezen. Tevens moet de rechter volgens de nationale wet deze in afwezigheid van de verdediging afgelegde verklaringen uit de fase van het opsporingsonderzoek behandelen alsof deze ter terechtzitting in het bijzijn van de verdediging zijn afgelegd. Kan de rechter het recht van verdachte om daadwerkelijk deel te nemen aan het proces (artikel 8 van richtlijn 2016/343) alsmede de plicht van de openbaar aanklager om de aanklacht te bewijzen (artikel 6 van richtlijn 2016/343), gezien in het licht van het recht op een eerlijk proces (artikel 47 van het Handvest), onder deze omstandigheden waarborgen?

Prejudiciële vraag:

Is het verenigbaar met artikel 8, lid 1, en artikel 6, lid 1, gelezen in samenhang met de overwegingen 33 en 34 van richtlijn 2016/343 alsmede met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wanneer een nationale wet bepaalt dat in de situatie waarin in de gerechtelijke fase van de strafprocedure verklaringen worden ingediend van getuigen die om objectieve redenen niet kunnen worden gehoord, welke getuigenverklaringen in de fase van het opsporingsonderzoek zijn afgelegd – waarbij deze getuigen in laatstgenoemde fase enkel door de vervolgende instantie, zonder deelname van de verdediging maar wel ten overstaan van een rechter, zijn verhoord en de vervolgende instantie reeds in die fase de deelname van de verdediging aan dit verhoor mogelijk had kunnen maken, maar dit niet heeft gedaan –, het recht van de verdachte om bij zijn proces aanwezig te zijn gewaarborgd is en de openbaar aanklager naar behoren voldoet aan zijn verplichting om de schuld van de verdachte te bewijzen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV