C-351/21 Beobank

Contentverzamelaar

C-351/21 Beobank

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     30 juli 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     16 september 2021

Trefwoorden : betalingsdiensten; richtlijn 2007/64/EG; verstrekken informatie over begunstigde banktransactie; inspanningsverplichting; resultaatverplichting;

Onderwerp :

-           Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG;

Feiten:

ZG heeft een debetkaart en bankrekening bij Beobank. In april 2017 is hij naar Valencia gegaan. Daar zijn in een uitgaansgelegenheid een aantal betalingen gedaan met zijn debetkaart: eerst verrichte hij een transactie voor 100 euro, waarna er nog een tweede en een derde transactie zijn verricht van respectievelijk 991 en 993 euro. ZG verklaart, na in de uitgaansgelegenheid bepaalde consumpties te hebben genuttigd, niet meer te weten wat er is gebeurd. Hij heeft zijn kaart vervolgens geblokkeerd en bij thuiskomst aangifte gedaan bij de politie in Brussel wegens diefstal en frauduleus gebruik van zijn bankkaart. Hij vordert nu een schadevergoeding van Beobank en terugbetaling van de tweede en derde transactie. Beobank weigert terugbetaling op de grondslag dat ZG de transacties heeft toegestaan dan wel grof nalatig is geweest. Een belangrijke feitelijke vraag is aan wie de betalingen ten goede zijn gekomen. Beobank heeft alleen de digitale referentie van de terminal, de geolocatie ervan en een niet tot een persoon of entiteit terug te leiden aanduiding van de identiteit van de begunstigde aangegeven. Beobank verklaart geen verdere informatie te hebben ontvangen van de vennootschap die de terminal beheert. Bovendien weigert de betrokken Spaanse bank naar verluidt de identificatiegegevens van de handelaar mee te delen. Onder Belgisch recht, dat de omzetting vormt van art. 38 van richtlijn 2007/64/EG, heeft de betaler recht op informatie betreffende de begunstigde van zijn betalingstransacties. Beobank betoogt dat de bepaling haar slechts een inspanningsverplichting oplegt, terwijl ZG van mening is dat Beobank een resultaatsverplichting heeft. Nu rijst de vraag wat de omvang is van de op Beobank rustende verplichting om die informatie te verstrekken. Indien blijkt dat Beobank de verplichting niet is nagekomen, kan de rechter daaruit namelijk conclusies trekken wat betreft haar verplichting om de in het geding zijnde transacties terug te betalen en/of een schadevergoeding te betalen.

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat de bestaande rechtspraak en literatuur niet de voor deze zaak noodzakelijke opheldering verschaffen. Bovendien is de soort en omvang van de op de bank rustende verplichting beslissend voor de beslechting van het geding. De verwijzende rechter stelt daarnaast dat het, nu de aan hem voorgelegde transactie zeer gebruikelijk is, van belang is dat de bepaling door de gehele Unie uniform wordt toegepast. Om deze redenen verwijst hij een prejudiciële vraag naar het Hof.

Prejudiciële vragen:

1° Rust ingevolge artikel 38, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2007/64/EG een inspanningsverplichting dan wel een resultaatsverplichting op de dienstaanbieder met betrekking tot het verstrekken van „informatie betreffende de begunstigde”?

2° Valt onder de in deze bepaling genoemde „informatie betreffende de begunstigde” de informatie aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke natuurlijke of rechtspersoon de betaling heeft ontvangen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN, EZK