C-351/24 C/C

Contentverzamelaar

C-351/24 C/C

Prejudiciële hofzaak      

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 juli 2024
Schriftelijke opmerkingen:                     4 september 2024

Trefwoorden: douane; bewijs van oorsprong

Onderwerp: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie: artikel 119, lid 3.

Feiten:
Verzoekende partij is ‘C/C Vámügynöki Kft.’, en heeft de hoedanigheid van indirecte douanevertegenwoordiger van Best-Epil Kft (hierna: importeur). De importeur heeft 20 keer verschillende soorten groenten en fruit voor het vrije verkeer ingeklaard bij de belasting- en douanedienst. Hierbij heeft hij op basis van het overleggen van bewijzen van oorsprong, verzocht om preferentiële tariefbehandeling bij de heffing van de douanerechten. De douaneautoriteit heeft een controle uitgevoerd, waaruit is gebleken dat het certificaat inzake goederenverkeer dat is afgegeven door Kosovo, niet voldoet aan de bepalingen over de toepassing van de regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels. De douaneautoriteit heeft op basis van deze conclusie de importeur verplicht om aanvullende douanerechten te betalen. De importeur heeft verzocht om kwijtschelding.

Overweging:
Op grond van artikel 116, lid 1, onder c) van het douanewetboek kan er verzocht worden om kwijtschelding van geheven invoerrechten, wanneer deze zijn ontstaan als gevolg van een vergissing van de bevoegde autoriteit. Volgens de importeur is de onjuistheid van het certificaat te wijten aan de douaneautoriteit. De douaneautoriteit onderschrijft de fout, maar stelt dat de importeur zelf onderzoek had moeten doen. De verwijzende rechter wenst te vernemen of de douaneautoriteit eerst een controleprocedure had moeten verrichten op grond van de conventie, voordat het tot de slotsom kwam dat het bewijs van oorsprong afgegeven was in strijd was met de regels van de conventie. 

Prejudiciële vraag:
Moet artikel 119, lid 3, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (hierna: „douanewetboek”) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk waarbij wordt vastgesteld dat een bewijs van oorsprong onjuist is zonder de procedure van artikel 32 van bijlage I bij de regionale conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (hierna: „conventie”) toe te passen?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -


Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten