C-364/25 Katachev  

Contentverzamelaar

C-364/25 Katachev  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     1 september 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     18 oktober 2025

Trefwoorden: onafhankelijkheid van rechterlijke instantie, rechtsbescherming, detachering rechters

Onderwerp: Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU): Artikel 19, lid 1, tweede alinea. 

In twee geschillen over consumentenkredietovereenkomst is tegen eerdere beslissingen van de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld bij een  hogere rechter. Deze hoger beroepsrechter bestond deels uit gedetacheerde rechters. De hoger beroepsrechter heeft beide beslissingen van de verwijzende rechter  vernietigd en teruggestuurd naar de verwijzende rechter. Bij deze rechter rijst de vraag of het Bulgaarse stelsel met gedetacheerde rechters Europeesrechtelijk toelaatbaar is. Met name twijfelt de rechter hierover vanwege de mogelijkheid tot langdurige detachering en het ontbreken van toetsbare selectiecriteria. In dat licht wenst de verwijzende rechter te vernemen  of het  Bulgaarse detacheringsstelsel in lijn is met de vereiste van onafhankelijke rechtsmiddelen die rechtsbescherming waarborgen van artikel 19, lid 1, tweede alinea, van de VEU. 

Prejudiciële vragen: 
1) Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus worden uitgelegd dat door schending van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet wordt verzekerd dat de burgers beschikken over de nodige rechtsmiddelen voor een daadwerkelijke rechtsbescherming, wanneer het in een lidstaat van de Europese Unie mogelijk is om bij beslissing van een leidinggevend orgaan van de rechterlijke macht dat onafhankelijk is van de andere staatsorganen, rechters met hun instemming voor onbepaalde tijd te detacheren bij een hogere rechterlijke instantie, indien is voorzien in voorwaarden voor de beslissing over de beëindiging van de detachering en in een rechtsmiddel daartegen, dat tijdens de aanhangige procedure evenwel geen opschortende werking heeft, en aan de hand van welke criteria moet concreet worden beoordeeld of een detachering voor onbepaalde tijd mogelijk is?

2) Zou het antwoord op de eerste vraag anders luiden, wanneer de wet voorziet in objectieve en aan rechterlijke toetsing onderworpen voorwaarden voor de beslissing om een einde te maken aan de detachering, maar niet in door de rechter toetsbare voorwaarden voor de selectie van de te detacheren rechters?

3) Indien de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat de detachering van rechters onder dergelijke omstandigheden mogelijk is wanneer objectieve regels worden nageleefd, moeten dan bij de toetsing van de strijdigheid van de nationale regeling met het in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU bedoelde vereiste dat moet zijn voorzien in voldoende rechtsmiddelen, niet alleen rekening worden gehouden met de wettelijke criteria, maar ook met de wijze waarop deze door de bevoegde bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten worden toegepast?

4) Moet beschikking 2006/929/EG van de Commissie aldus worden uitgelegd dat het antwoord op de voorgaande drie vragen anders zou luiden, wanneer tijdens de toepassingsduur van deze beschikking een nationale detacheringspraktijk is vastgesteld, die was gegrond op een regeling die vergelijkbaar is met de actueel geldende regeling, en dit heeft geleid tot bezwaren in het kader van het bij deze beschikking ingestelde mechanisme voor samenwerking en toetsing?

5) Indien wordt geoordeeld dat de nationale bepalingen voor de detachering van rechters in voorkomend geval in strijd zijn met de verplichting om te voorzien in rechtsmiddelen die nodig zijn om daadwerkelijke rechtsbescherming te verzekeren als bedoeld in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, moet dan deze bepaling aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat een hogere rechter waarvan de rechtsprekende formatie ook een gedetacheerde rechter bevat, bindende aanwijzingen geeft aan de nationale rechterlijke instantie, en onder welke voorwaarden is dit het geval? Vertonen in het bijzonder aanwijzingen die niet de grond van de zaak betreffen, maar het verrichten van bepaalde proceshandelingen voorschrijven, een gebrek?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C 797/21 (beschikking Y. YA); C 714/22 (Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst)); C-181/21 en C-269/21 (G); C 379/21 (TBI Bank); C-64/16 (Associação Sindical dos Juízes Portugueses); C-558/18 en C-563/18 (Miasto Łowicz); C-487/19 (W.Ż.); C-748/19 tot en met C-754/19 (Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a.); C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19, C-355/19 en C-397/19 (Forumul Judecătorilor din România e.a.); C-173/09.

Specifiek beleidsterrein: JenV 

Gerelateerde documenten