C-37/24 DADA Music et UPFR

Contentverzamelaar

C-37/24 DADA Music et UPFR

Prejudiciële hofzaak 


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 maart 2024
Schriftelijke opmerkingen:                    29 april 2024

Trefwoorden: naburige rechten; forfaitaire minimumvergoeding; fonogram

Onderwerp:

-             Richtlijn 2006/115/EG betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom: artikel 8, lid 2;

-             Richtlijn 2014/26/EU betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt: artikel 16, lid 2;

-             Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest): artikelen 17 en 52.

Feiten:

Verzoekende partij in eerste aanleg is een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging van de naburige rechten van de producenten van fonogrammen ‘UPFR’. Verwerende partij is een exploitant van een plaatselijk radiostation ‘DADA Music SRL’ (hierna: DADA Music). De UFPR en DADA Music hebben op 20 oktober 2011 een niet-exclusieve licentieovereenkomst gesloten voor het uitzenden van commerciële fonogrammen, waarbij DADA Music het recht heeft verkregen om de fonogrammen via de radio uit te zenden en de verplichting op zich genomen om een billijke vergoeding te betalen. Er is onder andere afgesproken dat bij een gebrek aan inkomsten DADA Music de kosten die gemaakt zijn voor de uitzendactiviteit wel vergoedt. Vervolgens treedt een nieuwe nationale wet in werking en weigert DADA Music de forfaitaire minimumvergoeding nog te betalen. Op grond van deze wet hoeven deze vergoedingen alleen betaald te worden over daadwerkelijk verkregen inkomsten. UFPR heeft een rechtsvordering ingesteld tot betaling van het bedrag.

Overweging:

Het geschil ziet op de vraag of de nationale regelgeving die een einde maakt aan een billijke minimumvergoeding onmiddellijk van toepassing is in het hoofdgeding, of dat dit in strijd is met artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, van richtlijn 2014/26. De verwijzende rechter stelt dat deze Unierechtelijke bepalingen voorschrijven dat de vergoeding die aan producenten van fonogrammen toekomt passend en redelijk moet zijn en dat het aan de nationale wetgever is om mechanismen in te stellen waarbij die passende vergoeding concreet wordt bepaald. De verwijzende rechter stelt vragen over welke criteria aan deze beoordeling kan worden gesteld. Tevens twijfelt hij over de verplichting tot een forfaitaire vergoeding en vraagt hij zich af of het beëindigen van vergoedingen die niet verwaarloosbaar zijn, strijd oplevert met artikel 17 Handvest.

Prejudiciële vragen:

Moeten artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG en artikel 16, lid 2, tweede volzin, van richtlijn 2014/26/EU junctis de artikelen 17 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat

1) zij zich verzetten tegen een nationale regeling die geen (forfaitaire) billijke minimumvergoeding toekent aan rechthebbenden (producenten van fonogrammen), vertegenwoordigd door maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging, ongeacht de inkomsten of uitgaven van omroeporganisaties?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: verzetten deze artikelen zich tegen een nationale regeling die met onmiddellijke ingang een einde maakt aan de (forfaitaire) minimumvergoedingen die zijn vastgesteld door middel van een methode waarover eerder is onderhandeld tussen een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging en gebruikers, zonder de criteria voor de berekening van de vergoeding te wijzigen en zonder een uiterste termijn te bepalen voor de onderhandeling over nieuwe afspraken (methoden) om de hoogte van de billijke vergoedingen vast te stellen?

3) Indien de eerste twee vragen ontkennend worden beantwoord: kan of (eventueel) moet de nationale rechter nagaan of de vergoedingen die zijn berekend als percentage van de concrete, door omroeporganisaties opgegeven inkomsten, billijk en redelijk zijn voor rechthebbenden en gebruikers, dan wel kennelijk verwaarloosbaar of buitensporig hoog zijn, en wat zijn de criteria die voor deze beoordeling kunnen worden toegepast?

4) Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord en de nationale rechter vaststelt dat de verschuldigde vergoeding volgens de bij de nieuwe nationale regeling gewijzigde methode verwaarloosbaar is: kan of moet hij voor het vaststellen van de vergoeding andere criteria toepassen dan de opgegeven inkomsten - zoals de kosten die omroepen voor de uitzending hebben gemaakt, de vergoeding die vergelijkbare omroepen hebben betaald of soortgelijke criteria - om te zorgen dat rechthebbenden een passende vergoeding ontvangen zonder inbreuk te maken op de gerechtvaardigde belangen van gebruikers, dat wil zeggen een vergoeding die niet verwaarloosbaar is maar evenmin buitensporig belastend voor omroeporganisaties?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-6/90 en C-9/90 ; C-397/01 – C-403/01 ; C-261/20 Thelen Technopark Berlin

Specifiek beleidsterrein: JenV