C-371/20 Peek & Cloppenburg

Contentverzamelaar

C-371/20 Peek & Cloppenburg

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     24 september 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     10 november 2020

Trefwoorden : oneerlijke handelspraktijken; consumenten

Onderwerp :

Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad;

 

Feiten:

Partijen zijn twee ondernemingen die onafhankelijk van elkaar zijn en die beide onder de naam “Peek & Cloppenburg” verschillende filialen in de detailhandel in kleding exploiteren. Tussen partijen bestaat de afspraak dat Duitsland is onderverdeeld in twee economische ruimten (noord en zuid) waarbij één van de partijen kledingzaken heeft in de respectieve ruimten. In casu is een landelijke publiciteitsactie van verweerster in het geding die in maart 2011 in het modetijdschrift Grazia werd gepubliceerd. De lezers werden uitgenodigd voor een “exclusieve Late-Night-Shopping”. In de bijdrage in het tijdschrift werd beschreven hoe de evenementen verlopen en daarbij werd meerdere keren de naam “Peek & Cloppenburg” gebruikt. In de bijdrage werd erop gewezen dat er twee onafhankelijke ondernemingen met de naam Peek & Cloppenburg bestaan en werd bovendien het volgende vermeld: “Deze informatie is afkomstig van Peek & Cloppenburg KG Düsseldorf.” De door verzoekster ingestelde vordering met (primair) het verzoek om verweerster te verbieden bij haar optreden in het mededingingsverkeer advertenties te laten publiceren, zonder deze duidelijk als advertentie kenbaar te maken werd zowel in eerste als in tweede aanleg toegewezen. Met haar beroep in Revision handhaaft verweerster haar standpunt dat de vordering moet worden afgewezen.

 

Overweging:

De vraag rijst of verweerster voor het gebruik van de redactionele inhoud voor reclame in de zin van punt 11 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG heeft betaald en dat gebruik dus heeft gefinancierd. Met de eerste prejudiciële vraag wordt beoogd dat wordt verduidelijkt of een “betaling” in de zin van punt 11 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG een prestatie veronderstelt, dan wel of andere op geld waardeerbare prestaties volstaan. Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de handelaar het mediabedrijf het op geld waardeerbare voordeel heeft verschaft als tegenprestatie voor het gebruik van redactionele inhoud, en – zo ja – of in het onderhavige geval aan deze voorwaarde is voldaan.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is er slechts sprake van de „betaling” voor reclame in de zin van punt 11 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG wanneer een tegenprestatie in geld wordt verricht voor het gebruik van redactionele inhoud in media om reclame te maken, of strekt het begrip „betaling” zich uit tot elke vorm van tegenprestatie, zonder dat van belang is of deze bestaat in geld, goederen of diensten of overige vermogensbestanddelen?

2. Onderstelt punt 11 van bijlage I bij richtlijn 2005/29/EG dat de handelaar het mediabedrijf het op geld waardeerbare voordeel als tegenprestatie voor het gebruik van redactionele inhoud verschaft en, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet ook worden aangenomen dat er sprake is van een dergelijke tegenprestatie in een geval waarin het mediabedrijf verslag doet van een samen met een handelaar georganiseerde publiciteitsactie, wanneer de handelaar het mediabedrijf voor het verslag beeldrechten ter beschikking heeft gesteld, beide ondernemingen in de kosten en lasten van de publiciteitsactie hebben deelgenomen en de publiciteitsactie dient ter bevordering van de verkoop van de producten van beide ondernemingen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: EZK