C-387/25 Compagnie Europeenne de Garanties et Cautions
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 27 augustus 2025 Schriftelijke opmerkingen: 13 oktober 2025
Trefwoorden: kredietovereenkomst, oneerlijke bedingen, doeltreffendheidsbeginsel, borg
Onderwerp: Richtlijn 93/13 (oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten):
Verzoekers NL en SF hebben in 2013 een hypothecair krediet afgesloten bij de bank ‘Banque Populaire Bourgogne Franche-Comté’. In de overeenkomst is bepaald dat voor het krediet een borgtocht wordt verleend door een dochteronderneming van de bank ‘CEGC’. In 2023 heeft de bank de kredietnemers aangemaand tot betaling van niet-betaalde termijnen. CEGC heeft deze termijnen betaald en het bedrag teruggevorderd van NL en SF. Zij stellen op hun beurt dat CEGC hen niet behoorlijk heeft geïnformeerd en vorderen schadevergoeding. Het Franse recht verhindert dat de schuldenaar oneerlijke bedingen uit de kredietovereenkomst jegens de borg kan inroepen nadat de borg heeft betaald. De verwijzende rechter stelt dat dit de doeltreffendheid van richtlijn 93/13 kan ondermijnen, en stelt vragen aan het Hof.
Prejudiciële vragen: 1. Moeten richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat een bepaling van nationaal recht die de rechter verbiedt om te beoordelen of een beding in een hypothecaire kredietovereenkomst betreffende de voorwaarden voor ontbinding van de overeenkomst door de bank in geval van wanbetaling van de kredietnemer oneerlijk is, buiten toepassing kan of moet worden gelaten wanneer de zakelijke borg die het krediet dekt, nadat de bank het krediet vervroegd opeisbaar heeft verklaard, is overgegaan tot betaling van de door de bank bij de consument gevorderde schuld? 2. Moeten richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan het oneerlijke karakter kan of moet worden vastgesteld van een beding in een hypothecaire kredietovereenkomst dat bepaalt dat de consument de door een zakelijke borg gestelde borgtocht moet betalen, wanneer hij niet ervan in kennis is gesteld dat de betaling van de schuld door de borg ingeval de kredietnemer in gebreke blijft, tot gevolg heeft dat de borg jegens de kredietnemer beschikt over een persoonlijke vordering waardoor alle eventueel door de kredietgever begane schendingen van het consumentenrecht op nationaal en Unieniveau niet aan de borg kunnen worden tegengeworpen?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-243/08 Pannon GSM; C-693/19 en C-831/19 SPV Project 1503 e.a.; C-421/14 Banco Primus; C-598/21 Všeobecná úverová banka; C-26/13 K; C-96/14; C-714/22 Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst); C-776/19–C-782/19 BNP Paribas Personal Finance.
Specifiek beleidsterrein: EZ