C-389/23 Bulgarfrukt 

Contentverzamelaar

C-389/23 Bulgarfrukt 

noPrejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    15 augustus 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    1 oktober 2023

Trefwoorden: betekening of kennisgeving, betalingsbevel, uitvoerbaarheid

Onderwerp:

- Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure: artikel 12, lid 5, artikelen 13-18, artikel 20;

- Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad: artikel 10, lid 1; en

- Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (herschikking): artikel 12, leden 5 en 6.

Feiten:

Op verzoek van de in Duitsland gevestigde verzoekende partij, Bulgarfrukt, heeft de rechter in eerste aanleg krachtens verordening nr. 1896/2006 een Europees betalingsbevel uitgevaardigd tegen de in Bulgarije gevestigde verwerende partij, Oranzherii Gimel II EOOD. De betekening of kennisgeving is krachtens verordening nr. 1393/2007 verricht via de Bulgaarse autoriteiten en de betekening of kennisgeving heeft volgens de autoriteiten in 2019 plaatsgevonden. In de veronderstelling dat de betekening of kennisgeving rechtsgeldig was geschied, heeft de voor het Europees betalingsbevel bevoegde rechter in Duitsland in 2020 de in artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 bedoelde uitvoerbaarverklaring afgegeven. In 2021 heeft de verwerende partij een verweerschrift ingediend tegen het betalingsbevel en voerde o.a. aan dat zij pas in 2021 van het Europees betalingsbevel had vernomen en gepreciseerd dat zij de exceptie van niet- of niet-regelmatige betekening of kennisgeving krachtens § 1092a ZPO (Duitse nationale regelgeving) wilde opwerpen. De verwerende partij stelt tot slot dat het Europees betalingsbevel niet aan haar is betekend of ter kennis gebracht.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter is het Europees betalingsbevel niet rechtsgeldig betekend of ter kennis gebracht. De Bulgaarse ontvangende instantie heeft in het certificaat van betekening of kennisgeving weliswaar een rechtsgeldige betekening of kennisgeving aangenomen, maar uit de inhoud van de nadere verklaring blijkt zulks volgens het Unierecht niet. Volgens de verwijzende rechter is de betekening of kennisgeving derhalve uitsluitend aangenomen op basis van een (kennelijk) vanuit het Bulgaarse nationale recht voortvloeiende wettelijke fictie. Daarmee is volgens de verwijzende rechter niet voldaan aan de strengere minimumvoorwaarden voor een geldige betekening of kennisgeving, krachtens artikel 12, lid 5, en de artikelen 13-15 van verordening nr. 1869/2006. De verwijzende rechter stelt tevens dat de regeling van § 1092a ZPO in beginsel ook vanuit het oogpunt van het Unierecht om diverse redenen problematisch en in strijd is met de bepalingen van verordening nr. 1896/2006. De verwijzende rechter vraagt het Hof dan ook of de regeling kan worden gehandhaafd. Indien het Hof tot de conclusie komt dat § 1092a, lid 1, ZPO een niet van toepassing is, twijfelt de verwijzende rechter of de gedwongen tenuitvoerlegging van het betalingsbevel op grond van § 1092a, lid 2, ZPO niet-toelaatbaar wordt verklaard. Daarnaast wenst de verwijzende rechter te vernemen of het Hof aan de hand van bestaande jurisprudentie een te vroeg ingediend verweerschrift niet-ontvankelijk heeft willen verklaren.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad, en verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de rechter een Europees betalingsbevel nietig moet verklaren naar aanleiding van een ingesteld rechtsmiddel indien dat betalingsbevel niet of niet rechtsgeldig aan de verweerder betekend of ter kennis gebracht is?

2) Ingeval de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten de bovengenoemde verordeningen dan aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de gedwongen tenuitvoerlegging van het Europees betalingsbevel niettoelaatbaar moet worden verklaard wanneer het betalingsbevel niet of niet rechtsgeldig aan de verweerder betekend of ter kennis gebracht is?

3) Ingeval de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, moet verordening nr. 1896/2006 dan aldus worden uitgelegd dat een verweerder die kennis draagt van de uitvaardiging van een Europees betalingsbevel, maar aan wie dit bevel nog niet of niet rechtsgeldig betekend of ter kennis is gebracht, tegen dat bevel nog geen rechtsgeldig verweerschrift kan indienen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-354/15, C-21/17 Catlin Europe SE, C-119/13 en C-120/13 eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen

Specifiek beleidsterrein: JenV

Gerelateerde documenten