C-39/16 Argenta Spaarbank

Contentverzamelaar

Terug C-39/16 Argenta Spaarbank

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   18 maart 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       4 april 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   4 mei 2016
Trefwoorden: vennootschapsbelasting; dividend; moeder/dochterRL; fraudebestrijding

Onderwerp
Richtlijn 90/435!EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten

Verzoekster, een kredietinstelling, heeft aanslagen vennootschapsbelasting ontvangen over 1999 en 2000. In deze jaren heeft verzoekster dividenden ontvangen op aandelen in zowel BEL als EU-vennootschappen die zij op moment dividenduitkering zowel langer dan één jaar als korter aanhield.
Met omzetting van RL 90/435 (in de WIB92) heeft de BEL wetgever ervoor gekozen dezelfde eisen op te leggen voor uitkering van dividenden van BEL en van andere EU-vennootschappen. Het gaat in deze zaak om aftrekbare dividenden van aandelen die minder dan een jaar zijn aangehouden. In de BEL wetgeving is bepaald dat deze dividenden niet als beroepskosten zullen worden aangemerkt. De wetgever beoogde daarmee een dubbele fiscale aftrek onmogelijk te maken, namelijk de lening waarmee de transactie wordt gefinancierd en vervolgens de aftrekbare dividenden. Verzoekster stelt dat de wetgever met het artikel heeft beoogd de aftrek te beperken tot de gevallen waarin een causaal verband bestaat tussen de rente en de dividenden waarvoor aftrek wordt genoten. Maar voor de verwijzende rechter is in het artikel duidelijk gesteld dat geen causaal verband wordt geëist.
Daarnaast stelt verzoekster strijd met de moeder/dochterRL, te weten artikel 4.2 waarin de EULS onder meer vrijheid wordt toegekend om het deelnemingspercentage om als ‘moeder’ te worden aangemerkt, op minder dan 25% te stellen. Voor verzoekster (als kredietinstelling) geldt volgens de BEL regeling zelfs in het geheel geen deelnemingsdrempel. Van de mogelijkheid in artikel 3.2 van de RL om de deelnemingsduur te verlagen heeft BEL dus geen gebruik gemaakt.

De verwijzende BEL rechter (Rb Antwerpen) moet nagaan of het artikel in de WIB92 al dan niet in strijd is met de moeder-dochterRL. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
"Schendt artikel 198,10° WIB92, zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2000 en 2001, artikel 4, lid 2 van de moeder-dochterrichtlijn van 23 juli 1990 (Richtlijn 90/435/EEG van de Raad), in zoverre het bepaalt dat intresten niet als beroepskosten worden aangemerkt tot een bedrag gelijk aan dat van de volgens artikelen 202 tot 204 WIB92 vrijstelbare dividenden verkregen uit aandelen die op het ogenblik van hun overdracht niet gedurende een ononderbroken periode van minstens één jaar werden behouden, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt al naargelang voormelde intrestlasten betrekking hebben op de (financiering van de) deelneming waaruit de vrijstelbare dividenden werden verkregen of niet?"
en
"Maakt artikel 198,10° WIB92, zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2000 en 2001, een bepaling ter bestrijding van fraude en misbruiken uit in de zin van artikel 1, lid 2 van de moeder-dochterrichtlijn van 23 juli 1990 (Richtlijn 90/435/EEG van de Raad), en indien dit geval is, gaat artikel 198,10° WIB92 dan verder dan noodzakelijk is om dergelijke fraude of misbruiken te bestrijden, in zoverre het bepaalt dat intresten niet als beroepskosten worden aangemerkt tot een bedrag gelijk aan dat van de volgens artikelen 202 tot 204 vrijstelbare dividenden verkregen uit aandelen die op het ogenblik van hun overdracht niet gedurende een ononderbroken periode van minstens één jaar werden behouden, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt al naargelang voormelde intrestlasten betrekking hebben op de (financiering van de) deelneming waaruit de vrijstelbare dividenden werden verkregen of niet?"
Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten