C-392/20 ECHA

Contentverzamelaar

C-392/20 ECHA

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     20 oktober 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     6 december 2020

Trefwoorden : ECHA; executoriale titel; verjaring; REACH

Onderwerp :

-           VWEU: de artikelen 288, 291 en 299;

-           Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de ECHA Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;

-           Verordening (EG) nr. 340/2008 van de Commissie van 16 april 2008 betreffende de aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen te betalen vergoedingen krachtens verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH);

Feiten:

Het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) heeft bij besluit vastgesteld dat de schuldenaar - gevestigd te Polen - ten tijde van de indiening van haar registratiedocumenten een grote onderneming was en daarom niet in aanmerking kwam voor de door kleine ondernemingen verschuldigde lagere vergoeding. De uitvoerend directeur heeft de schuldenaar overeenkomstig verordening 340/2008 verplicht tot het betalen van het saldo van de aan grote ondernemingen in rekening gebrachte volledige vergoeding. De vennootschap heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt, zodat het besluit definitief en uitvoerbaar is geworden. Vervolgens heeft het ECHA, als schuldeiser, de verwijzende rechter verzocht om aanbrenging van een formule van tenuitvoerlegging op voornoemd besluit, zodat het bedrag bij de schuldenaar kan worden geïnd. Hiervoor heeft het ECHA zich beroepen op de artikelen 288, 291 en 299 VWEU. ECHA’s verzoek werd ingewilligd. Hierop kwam de schuldenaar in beroep en verzocht hij dat het verzoek van het ECHA wordt afgewezen en, subsidiair, dat de aanbrenging van de formule van tenuitvoerlegging wordt geweigerd. De schuldenaar beroept zich op een onjuiste, want ruime uitlegging van de artikelen 291 en 299 VWEU, waarbij wordt aangenomen dat een besluit van het ECHA een executoriale titel in de zin van de genoemde bepalingen vormt. Verder beweert hij dat de nationale autoriteit bij de aanbrenging van een formule van tenuitvoerlegging niet alleen de authenticiteit van de titel mag controleren maar tevens mag nagaan of de schuldeiser het verzoek heeft ingediend vóór het verstrijken van de daartoe in de gemeenschapsbepalingen gestelde termijn.

Overweging:

De verwijzende rechter wenst in de eerste plaats de materiële werkingssfeer van artikel 299 VWEU vast te stellen om te kunnen bepalen of een besluit van het ECHA een executoriale titel vormt. In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter vast te stellen wat de omvang is van de taak van de rechter die beslist over de aanbrenging van de formule van tenuitvoerlegging, om te vernemen of daarbij niet alleen de authenticiteit van de titel moet worden gecontroleerd maar vooraf tevens moet worden nagegaan of de termijn voor de indiening van het verzoek niet is verstreken en of de schuldvordering niet is verjaard.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 299 VWEU aldus worden uitgelegd dat het enkel van toepassing is op besluiten van de Raad, de Commissie of de Europese Centrale Bank of ook op besluiten van het Europees Agentschap voor chemische stoffen tot oplegging van aanvullende administratieve kosten?

2. Moet artikel 299 VWEU, waarin is bepaald dat de formule van tenuitvoerlegging wordt aangebracht zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aldus worden uitgelegd dat de nationale rechterlijke instantie die beslist over de aanbrenging van de formule van tenuitvoerlegging en die daarbij de nationale bepalingen inzake de civielrechtelijke procedure toepast, niet bevoegd is om na te gaan of de schuldvordering waarop de executoriale titel betrekking heeft, verjaard is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV;