C-393/23 Athenian Brewery et Heineken

Contentverzamelaar

C-393/23 Athenian Brewery et Heineken

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 22 augustus 2023
Schriftelijke opmerkingen:                     8 oktober 2023    

Trefwoorden: rechterlijke bevoegdheid, gelijktijdige behandeling en berechting, nauwe band, vermoeden van beslissende invloed

Onderwerp:

•            Artikel 8, punt 1, van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

Feiten:

In deze zaak heeft MTB vorderingen ingesteld tegen Heineken en AB die strekken tot vaststelling van hun hoofdelijke aansprakelijkheid jegens MTB voor een schending op de Griekse biermarkt door AB van art. 102 VWEU en art. 2 van de Griekse mededingingswet. Deze schending is door de Griekse mededingingsautoriteit vastgesteld. Heineken hield gedurende de relevante periode indirect circa 98,8% van de aandelen in het kapitaal van AB. In deze cassatieprocedure gaat het om de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel l-bis ten aanzien van de vordering tegen AB. Daarbij is de vraag aan de orde of het vermoeden van beslissende invloed van Heineken op AB ter zake van de betrokken economische activiteit doorwerkt in de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarde van art. 8, punt 1, Verordening Brussel l-bis dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting.

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat de bevoegdheidsregel van art. 8, punt 1, Verordening Brussel l-bis strekt ertoe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Omdat met deze bevoegdheidsregel wordt afgeweken van de hoofdregel van Verordening Brussel l-bis dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is (art. 4), moet deze regel eng worden uitgelegd. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen. Het Hof heeft geoordeeld dat het gerecht waarbij een geschil aanhangig is gemaakt, in het kader van de toetsing van zijn bevoegdheid alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking moet nemen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder. Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid echter geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn.

Volgens de rechtspraak van het Hof, die zowel de publiekrechtelijke als de privaatrechtelijke handhaving betreft, kunnen juridisch verschillende entiteiten voor één mededingingsrechtelijke inbreuk worden aangesproken wanneer deze entiteiten één onderneming vormen, welk begrip in deze context duidt op een economische eenheid. Een moedermaatschappij vormt slechts een en dezelfde onderneming met haar dochteronderneming wanneer zij toezicht uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming, hetgeen kan worden bewezen door aan te tonen dat de moedermaatschappij de mogelijkheid heeft om een beslissende invloed op het gedrag van de dochteronderneming uit te oefenen en dat zij die invloed bovendien daadwerkelijk heeft uitgeoefend, dan wel dat die dochteronderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten.

De verwijzende rechter merkt op dat vast staat dat Heineken niet zelf, rechtstreeks, feitelijke handelingen heeft verricht op de Griekse biermarkt. De vordering tegen Heineken berust op de stelling van MTB dat Heineken en AB in de periode waarin de schending van art. 102 VWEU door AB plaatsvond, één onderneming vormden, doordat Heineken beslissende invloed uitoefende op de betrokken economische activiteit van AB, en dat zij op die grond hoofdelijk aansprakelijk is voor de gestelde schending. De nauwe band als bedoeld in art. 8, punt 1, Verordening Brussel l-bis kan daarom uitsluitend worden gebaseerd op de gestelde beslissende invloed. Indien, zoals in dit geval, de verweerder de stellingen van de eiser op dat punt gemotiveerd betwist, rijst de vraag of de rechter ook in het kader van de beoordeling, overeenkomstig de maatstaf vermeld in de arresten Kolassa en Universal Music, van zijn bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel l-bis moet uitgaan van het vermoeden van beslissende invloed, ingeval de moedervennootschap direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van de dochtervennootschap bezit.

De verwijzende rechter heeft hier echter redelijke twijfel bij. Enerzijds dient het door het Hof aanvaarde vermoeden van beslissende invloed ertoe de handhaving van het Europese mededingingsrecht in volle omvang te verwezenlijken en is het moeilijk om het tegenbewijs te leveren dat voor de weerlegging van het vermoeden van beslissende invloed noodzakelijk is. Anderzijds heeft Verordening Brussel l-bis eigen doelstellingen en moet art. 8, punt 1, in het licht daarvan eng worden uitgelegd. Daarnaast zal bevestigende beantwoording van de vraag in de meeste gevallen ertoe leiden dat in internationale concernverhoudingen rechtspersonen, ongeacht in welke lidstaat zij zijn gevestigd en in welk land de betrokken economische activiteit heeft plaatsgevonden, wegens een gestelde schending van het mededingingsrecht kunnen worden gedaagd voor de rechter van de woonplaats van de rechtspersoon die direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal bezit. De bijzondere bevoegdheidsgrond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel l-bis zou aldus voor het mededingingsrecht een groot toepassingsbereik kunnen krijgen.

Prejudiciële vragen:

1. Moet in een geval als aan de orde in dit geding, de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap, bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel l-bis ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap, in het kader van het vereiste van de nauwe band als in die bepaling bedoeld, uitgaan van het voor het materiële mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap die onderwerp is van het geding?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moet in dit verband dan invulling worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten Kolassa en Universal Music? Is in dat geval, bij betwisting van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap, voor het aannemen van bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel l-bis ten aanzien van de betrokken dochtervennootschap voldoende dat niet op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat van die beslissende invloed sprake is geweest?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-375/13, C-12/15; C-724/17; C-882/19; C-694/19 P.

Specifiek beleidsterrein: EZK, BZ