C-394/21 Bursa Romana de Marfuri

Contentverzamelaar

C-394/21 Bursa Romana de Marfuri

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     25 augustus 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     11 oktober 2021

Trefwoorden: elektriciteitsmarktbeheerder; mededinging; monopolie  

Onderwerp :

•          Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit;

•          Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU;

•          Verdrag betreffende de Europese Unie;

•          Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Feiten:

De Roemeense grondstoffenbeurs heeft op 20 augustus 2020 bij de Roemeense regelgevende instantie op energiegebied (hierna: ANRE) een vergunning aangevraagd voor de organisatie en het beheer van gecentraliseerde elektriciteitsmarkten (‘elektriciteitsmarktbeheerder’). Deze vergunning is aangevraagd op grond van verordening (EU) 2019/943. De ANRE heeft de aanvraag afgewezen. De grondstoffenbeurs heeft beroep ingesteld bij de verwijzende rechter tegen de afwijzing. In beroep heeft de ANRE verduidelijkt dat de vennootschap OPCOM in 2001 een vergunning heeft gekregen om als ‘elektriciteitsmarktbeheerder’’ in Roemenië op te treden. De vergunning aan OPCOM is voor een periode van 25 jaar afgegeven, zodat OPCOM in feite een monopolie heeft. ANRE voerde verder aan dat verordening (EU) 2019/943 alleen van toepassing is op ‘marktdeelnemers’ en niet van toepassing is op ‘elektriciteitsmarktbeheerders’. De grondstoffenbeurs heeft daarentegen gesteld dat ‘elektriciteitsmarktbeheerders’ onder de definitie van ‘marktdeelnemers’ in de zin van artikel 2, punt 25 van verordening (EU) 2019/943 vallen.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter is het voor de beslechting van deze zaak noodzakelijk dat het EU-Hof verduidelijkt of verordening (EU) 2019/943 van toepassing is op ‘elektriciteitsmarktbeheerders’. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter aan het EU-Hof of verordening (EU) 2019/943 en richtlijn (EU) 2019/944 zich ertegen verzetten dat een lidstaat – sinds de datum van inwerkingtreding van de verordening en de richtlijn – slechts één vergunning verleent voor het beheer van de volledige elektriciteitsmarkt van die lidstaat. Verder wil de verwijzende rechter van het EU-Hof weten of het verlenen van slechts één vergunning in strijd is met de artikelen 101 en 102 VWEU in combinatie met artikel 4, lid 3, VEU en artikel 106, lid 1, VWEU.

Prejudiciële vragen:

1) Staat verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit, en met name artikel 1, onder b), en artikel 3 daarvan, gelet op de bepalingen van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU, eraan in de weg dat een lidstaat sinds de datum van inwerkingtreding van die verordening nog steeds slechts één vergunning verleent voor de organisatie en het beheer van gecentraliseerde elektriciteitsmarkten? Is de Roemeense Staat sinds 1 januari 2020 verplicht om een bestaand monopolie betreffende het beheer van de elektriciteitsmarkt te beëindigen?

2) Valt een beheerder van een elektriciteitsmarkt als een grondstoffenbeurs onder de werkingssfeer ratione personae van de beginselen van vrije mededinging van verordening (EU) 2019/943, en met name artikel 1, onder b) en c), en artikel 3, daarvan? Is voor het antwoord op die vraag relevant dat artikel 2, punt 40, van verordening (EU) 2019/943 voor de definitie van elektriciteitsmarkten verwijst naar de definitie van elektriciteitsmarkten in artikel 2, punt 9, van richtlijn (EU) 2019/944?

3) Moet de verlening door een lidstaat van één vergunning voor het beheer van de elektriciteitsmarkt worden aangemerkt als een beperking van de mededinging in de zin van de artikelen 101 en 102 VWEU junctis artikel 4, lid 3, VEU en artikel 106, lid 1, VWEU?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: n.v.t.

Specifiek beleidsterrein: EZK