C-408/25, C-438/25 en C-525/25 Volkswagen e.a.
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 11 november 2025 Schriftelijke opmerkingen: 28 december 2025
Trefwoorden: verboden manipulatie-instrument, typegoedkeuringsmerk, aansprakelijkheid
Onderwerp: Richtlijn 2007/46 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen; Verordening 715/2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen: artikel 5, lid 2; Verordening 2018/858 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen: artikel 3, punt 40.
In deze zaken hebben kopers een auto gekocht (Skoda Octavia) die zijn uitgerust met een verboden manipulatie-instrument. Verzoekers vorderen een schadevergoeding van Volkswagen. Volkswagen is niet de fabrikant van deze auto’s, maar alleen van de motors. Haar dochteronderneming Skoda is hier de fabrikant. Uit rechtspraak van het Hof blijkt dat een individuele koper wordt beschermd tegen de voertuigfabrikant. De Oostenrijkse rechter vraagt zich af of een koper ook een motorfabrikant aansprakelijk kan stellen wanneer deze de verboden manipulatie-instrumenten in de motor heeft ingebouwd, en/of het typegoedkeuringsmerk heeft aangebracht. Daarnaast is het de vraag of Volkswagen verantwoordelijk kan worden gesteld als het de voertuigfabrikant Skoda volledig in eigendom heeft.
Prejudiciële vraag C-408/25 en C-525/25: Moeten de bepalingen van richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB L 263/1 van 9 oktober 2007), gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 171/1 van 29 juni 2007), in het licht van het arrest van 31 maart 2023, Mercedes Benz Group (C-100/21, EU:C:2023:229), aldus worden uitgelegd dat zij de bijzondere belangen van de individuele koper van een motorvoertuig tegenover de fabrikant van de in het voertuig ingebouwde motor beschermen wanneer deze motor door de fabrikant ervan is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument als bedoeld in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007, maar de voertuigfabrikant in de zin van artikel 3, punt 27, van richtlijn 2007/46 niet de fabrikant van de motor is, maar een dochteronderneming die volledig eigendom is van de motorfabrikant?
Prejudiciële vraag C-438/25: Moeten de bepalingen van verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van richtlijn 2007/46/EG, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB 2007, L 171, blz. 1), in het licht van het arrest van 31 maart 2023, Mercedes Benz Group (C-100/21, EU:C:2023:229), aldus worden uitgelegd dat zij de bijzondere belangen van de individuele koper van een motorvoertuig tegenover de fabrikant van de in het voertuig ingebouwde motor beschermen wanneer deze motor door de fabrikant ervan is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument als bedoeld in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007, maar de voertuigfabrikant in de zin van artikel 3, punt 40, van verordening 2018/858 niet de fabrikant van de motor is, en hoe moet dit worden beoordeeld wanneer de voertuigfabrikant een dochteronderneming is die volledig eigendom is van de motorfabrikant?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-100/21 Mercedes-Benz.
Specifiek beleidsterrein: IenW