C-409/22 EUROBANK BULGARIA

Contentverzamelaar

Terug C-409/22 EUROBANK BULGARIA

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    17 augustus 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    3 oktober 2022

Trefwoorden: banken, apostille, aansprakelijkheid, volmacht

Onderwerp:

Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG

Feiten:

Op 22-11-2017 hebben UA (verzoeker), als deposant (opdrachtgever), en Eurobank EFG Bulgaria AD (verweerster), als depositaris (opdrachtnemer), te Sofia een overeenkomst betreffende een girorekening gesloten. Bij deze overeenkomst heeft de bank zich ertoe verbonden een voor onbepaalde tijd aan te houden girorekening in EUR op naam van verzoeker te openen en te beheren om betalingsdiensten aan verzoeker te verstrekken. In het kader van zijn investeringsprojecten heeft verzoeker in totaal 999 860,00

EUR naar de rekening overgemaakt. Op 06-02-2018 heeft verzoeker de bank bezocht met het oog op een bankverrichting met de tegoeden op zijn rekening, maar een bankbediende heeft hem meegedeeld dat het saldo op zijn rekening slechts 16 000,00 EUR bedroeg. Nadat verzoeker om een verklaring had verzocht, heeft de bediende hem een bankafschrift van de boekingen op zijn rekening voor de periode vanaf de opening ervan overgelegd waaruit verzoeker heeft opgemaakt dat een hem onbekende persoon met de naam MK zonder geldige machtiging van de rekeninghouder door middel van zes afzonderlijke overschrijvingsopdrachten beschikkingsdaden met de tegoeden op zijn rekening heeft verricht. De bankbediende heeft aan verzoeker verklaard dat deze eenzijdige beschikkingstransacties zijn verricht door MK, die zich aan de bank had voorgesteld als verzoekers gemachtigde en die een volmacht heeft overgelegd die was gewaarmerkt door een Italiaanse notaris. De notaris heeft hem geantwoord dat hij geen volmacht waarbij verzoeker MK heeft gemachtigd, heeft opgesteld of gewaarmerkt, dat de volmacht zeker „een vervalsing” is en dat hij de bank, daarvan in kennis heeft gesteld. Verzoeker betoogt dat de bankbedienden onvoorzichtig en met grove nalatigheid hebben gehandeld doordat zij aan een persoon zonder vertegenwoordigingsbevoegdheid de mogelijkheid hebben geboden om beschikkingsdaden met de tegoeden op zijn bankrekening te verrichten.

Overweging:

De verwijzende rechter is van oordeel dat richtlijn 2007/64 in het hoofdgeding van toepassing is. De ratio legis van de richtlijn is de totstandbrenging van een interne markt voor betalingsdiensten. In dit geval moet de betalingsdienstaanbieder, om van aansprakelijkheid te worden vrijgesteld, een gekwalificeerde vorm van schuld van de zijde van de betaler bewijzen, die opzettelijk, maar de betaler niettemin verliezen heeft geleden, hoewel hij niet met een gekwalificeerde vorm van schuld heeft gehandeld. Wat betreft de vereisten van artikel 86 van de richtlijn vraagt de verwijzende rechter zich af of het nationale recht, meer bepaald de regeling van artikel 75, lid 2, ZZD, kan worden toegepast wanneer de betalingsdienstaanbieder te goeder trouw heeft gehandeld en het hem overgelegde betaalinstrument formeel (uiterlijk) regelmatig is. De bank zet uiteen dat het in het hoofdgeding overgelegde document (de volmacht) een afschrift van de originele volmacht is en dat het is voorzien van een notariële waarmerking van de handtekening van de volmachtgever, namelijk van verzoeker, dat dit afschrift is uitgereikt door de bevoegde Italiaanse notaris en dat de omstandigheid dat het afschrift overeenstemt met het origineel door deze notaris is bevestigd. De authenticiteit van dit afschrift van de originele notarieel gewaarmerkte volmacht is door de bevoegde autoriteit van Italië, namelijk de adjunct-procureur, bevestigd door middel van een apostille. Aangezien deze volmacht de gemachtigde het recht geeft om namens de betaler beschikkingsdaden te verrichten, is het mogelijk dat dit document als „betaalinstrument” in de zin van artikel 4, punt 23, van de richtlijn moet worden beschouwd, aangezien het deel uitmaakt van de procedure waarvan de betalingsdienstgebruiker gebruikmaakt om een betalingsopdracht te geven. Overeenkomstig artikel 59 van de richtlijn berust de procedurele verplichting om te bewijzen dat de betalingstransactie geauthentificeerd was bij de betalingsdienstaanbieder. Indien de betalingsdienstaanbieder het betaalinstrument heeft geauthentificeerd, zou de instemming van de betaler in deze context vaststaan en zouden de verrichte betalingstransacties zijn toegestaan in de zin van artikel 54 van de richtlijn.

Prejudiciële vragen:

1. Is een volmacht krachtens welke de gemachtigde door middel van een betalingsopdracht namens de betaler een beschikkingsdaad ten aanzien van vermogensbestanddelen verricht een betaalinstrument in de zin van artikel 4, punt 23, van [richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG]?

2. Maakt een apostille die door de bevoegde buitenlandse autoriteit is aangebracht overeenkomstig het Verdrag van Den Haag van 1961 tot afschaffing van het vereiste van legalisatie voor buitenlandse openbare akten deel uit van de authentificatieprocedure voor zowel het betaalinstrument als de betalingstransactie in de zin van artikel 4, punt 19, gelezen in samenhang met artikel 59, [lid] 1, van de richtlijn?

3. Kan de nationale rechter ervan uitgaan dat een betalingstransactie is toegestaan, dat wil zeggen dat de betaler met de verrichting ervan heeft ingestemd, wanneer het betreffende betaalinstrument (met inbegrip van een instrument waarbij een derde wordt gemachtigd om namens de betaler beschikkingsdaden te verrichten) in formeel (uiterlijk) opzicht regelmatig is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: CRCAM (С-337/20)

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten