C-413/20  État belge

Contentverzamelaar

C-413/20  État belge

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     2 november 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     19 december 2020

Trefwoorden : bemanning burgerluchtvaartuigen; bevoegdheid piloot; beroepskwalificaties

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (zoals gewijzigd

voorafgaand aan uitvoeringsverordening (EU) 2018/1974 van de Commissie van 14 december 2018 houdende wijziging van verordening (EU) nr. 1178/2011);

Feiten:

Het DGTA is de Belgische overheidsinstelling die onder meer toezicht houdt op de opleiding van luchtvaartpiloten en bewijzen van bevoegdheid als luchtvaartpiloot afgeeft. Verweerders zijn voormalige leerlingen van de erkende Bluetail Flight School, waarvan de opleidingsprogramma’s door het DGTA zijn goedgekeurd. Het DGTA heeft geweigerd het bewijs van bevoegdheid af te geven aan verweerders, op grond dat hun opleiding niet de vereiste minimumduur van 115 uur “instrumentvliegen” had omvat. De Raad van State heeft de tenuitvoerlegging van deze weigeringsbeslissing in kort geding opgeschort wegens ontoereikende motivering. Vervolgens heeft het DGTA verweerders in kennis gesteld van een nieuwe beslissing tot weigering van het bewijs van bevoegdheid, met aanvullende motivering. Nadat de Raad van State zich uiteindelijk onbevoegd had verklaard, hebben de voormalige leerlingen beroep ingesteld bij de civiele rechter, opnieuw in kort geding. Deze rechter heeft bij beschikking van 18 april 2019 het DGTA gelast de bewijzen van bevoegdheid af te geven. Bij arrest van 8 augustus 2019 heeft de cour d’appel de Bruxelles deze beschikking in kort geding bevestigd. De Belgische Staat (het DGTA) heeft de zaak voorgelegd aan de verwijzende rechter voor uitspraak ten gronde.

Overweging:

De voorwaarden voor de afgifte van bewijzen van bevoegdheid als piloot voor commercieel luchtvervoer zijn vastgesteld in verordening 1178/2011. Aanhangsel 3 bij subdeel A van bijlage I bevat de cursusinhoud voor het verkrijgen van dit bewijs van bevoegdheid. Punt 9 daarvan doet echter twijfel rijzen over de berekening van de instrumenttijd. De verwijzende rechter merkt op dat de Commissie heeft gemeend haar standpunt over de uitlegging van punt 9 van aanhangsel 3 enkel in opmerkingen over een verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof kenbaar te kunnen maken.

Prejudiciële vragen:

1) Staat punt 9 van aanhangsel 3 van subdeel A van bijlage I bij verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, toe dat voor de berekening van de in punt 9, onder e), bedoelde 115 uur instrumenttijd rekening wordt gehouden met de opleidingsuren in een FNPT II-vliegsimulator (simulatortijd) boven de 15 uur MCC als bedoeld in punt 9, onder e), 2), en boven het maximum van 40 uur instrumentinstructie in FNPT II als bedoeld in punt 9, onder e), 3), ii), dat wil zeggen meer dan 55 uur simulatortijd?

2) Maakt het voor het antwoord op de eerste vraag verschil of de uren die boven de genoemde 15 en 40 uur worden verricht, bestaan uit uren MCC dan wel uit een andere soort simulatoropleiding?

3) Indien de twee bovenstaande vragen ontkennend worden beantwoord, staat punt 10 van aanhangsel 3 van subdeel A van bijlage I bij die verordening dan toe dat het bewijs van bevoegdheid CPL (A) wordt afgegeven nadat de kandidaten hun opleiding hebben aangevuld met een voldoende aantal uren in een luchtvaartuig, zonder dat de vaardigheidstest (skill test) met betrekking tot instrumentvliegen opnieuw wordt afgelegd?

4) Indien de drie bovenstaande vragen ontkennend worden beantwoord, vereist het algemene rechtszekerheidsbeginsel dan dat de uitlegging die het Hof van Justitie aan de betrokken rechtsregel geeft in de tijd wordt beperkt, bijvoorbeeld door die regel alleen toe te passen op kandidaten voor het behalen van een bewijs van bevoegdheid CPL (A), of op kandidaten die na de datum van het arrest van het Hof van Justitie met hun opleiding voor het behalen van een dergelijk bewijs van bevoegdheid zijn begonnen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: OCW; IenW;