C-415/25 De Nederlandsche Bank

Contentverzamelaar

C-415/25 De Nederlandsche Bank

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     27 augustus 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     13 oktober 2025

Trefwoorden: registratieplicht, virtuele valuta

Onderwerp: Richtlijn (EU) 2018/843 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering: artikel 47.

In 2020 en 2021 hadden cryptodienstverleners een registratieplicht bij de Nederlandsche Bank (DNB). De DNB bracht jaarlijks kosten in rekening voor doorlopend toezicht bij deze cryptodienstverleners op basis van de regelingen bekostiging financieel toezicht 2020 en 2021 (Rbft 2020 en Rbft 2021). Volgens de cryptodienstverleners werden overige ongedekte kosten doorberekend bij deze jaarlijkse rekeningen voor doorlopende toezicht, waardoor zij bij de DNB in bezwaar zijn gegaan. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) sluit zich bij het oordeel van de cryptodienstverleners en stelt vast dat de Rbft 2020 en de Rbft 2021 in strijd zijn met de Wet bekostiging financieel toezicht 2019, waardoor de tarieven onverbindend zijn. Over de bezwaren van 2020 mag het DNB opnieuw beslissen. Voor de bezwaren van 2021 vraagt het CBb aan het Hof om uitleg over de reikwijdte en de wijze waarop de registratieplicht van dienstverleners in virtuele en fiduciaire valuta uit artikel 47 van richtlijn 2018/843 moet worden toegepast. 

Prejudiciële vraag: 
Moet de in artikel 47 van richtlijn 2015/849 neergelegde registratieplicht; voor aanbieders van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta en aanbieders van bewaarportemonnees, aldus worden uitgelegd dat deze zich ertegen verzet dat een lidstaat bij een verzoek tot registratie van een dergelijke aanbieder eist dat hij gegevens verstrekt over onder meer de inrichting van de bedrijfsvoering met betrekking tot de integere en beheerste bedrijfsvoering, teneinde te waarborgen dat hij zijn bedrijfsvoering zo inricht dat hij kan voldoen aan de voorschriften die de nationale wet stelt en dat de lidstaat die registratie weigert als de toezichthouder op basis van die gegevens niet ervan overtuigd is dat de aanbieder aan die voorschriften kan voldoen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-562/20; C-106/89 Marleasing; C-261/20 Thelen Technopark Berlin.

Specifiek beleidsterrein: FIN; JenV