C-418/22 Cezam  

Contentverzamelaar

Terug C-418/22 Cezam  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    16 augustus 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    2 oktober 2022

Trefwoorden: BTW, vennootschap, fiscale geldboete, evenredigheidsbeginsel

Onderwerp: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Feiten:

Verzoekster in het hoofdgeding heeft sinds juni 2013 geen periodieke btw-aangiften meer ingediend. Op 10-11-2015 is een regularisatieopgave opgesteld voor 2013. Omdat op die opgave niet is gereageerd, is een herinneringsbrief verzonden, eveneens tevergeefs. Daarop is een proces-verbaal opgesteld voor 2013, dat aan de vennootschap is betekend. Aangezien de vennootschap ondanks de opmerkingen en aanmaningen ook heeft verzuimd periodieke btw-aangiften in te dienen voor 2014 en 2015, is over die jaren ambtshalve belasting geheven. Vervolgens is in 2017 een bijzondere rekening geopend omdat verzoekster wederom niet al haar aangiften had ingediend en de volgens de ingediende aangiften verschuldigde btw niet had voldaan. Volgens de dwangbevelen zijn een aantal bedragen verschuldigd, waaronder geldboeten. De opgelegde geldboeten bedragen 20 % van het brutobedrag van de btw. Volgens verzoekster moet de geldboete worden berekend op basis van de belasting die verschuldigd is nadat de aftrekbare btw in mindering is gebracht, dat wil zeggen op basis van het nettobedrag van de belasting (na aftrek van de voorbelasting) en niet op basis van het brutobedrag.

Overweging:

De lidstaten kunnen op grond van artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG maatregelen nemen om de juiste heffing van de belasting te waarborgen en om fraude te voorkomen. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een bij deze wettelijke regeling ingesteld stelsel, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat de door de lidstaten genomen maatregelen niet verder mogen gaan dan nodig is om de aldus nagestreefde doelstellingen te bereiken en dus niet op zodanige wijze mogen worden aangewend dat zij afbreuk zouden doen aan de neutraliteit van de btw, dat een basisbeginsel is van het bij het ter zake geldende Unierecht ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel. De tribunal de première instance du Luxembourg vraagt zich af of met het neutraliteitsbeginsel, hoewel het niet rechtstreeks van toepassing is op de sancties die gelden in geval de belastingplichtige zijn verplichtingen niet nakomt, direct of indirect rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of een stelsel van proportionele geldboeten als dat waarin het Belgische voorziet, in overeenstemming is met het evenredigheidbeginsel.

Prejudiciële vragen:

1) Verzetten de artikelen 62, [punt 2], 63, 167, 206, 250 en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en het evenredigheidsbeginsel, zoals uitgelegd in met name het arrest van het Hof van 8 mei 2019, EN.SA (C-712/17), gelezen in samenhang met het neutraliteitsbeginsel, zich tegen een nationale regeling als die van artikel 70, [§ 1,] van het btw-wetboek, artikel 1 van koninklijk besluit nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, en rubriek V van bijlage G bij dit besluit, op grond waarvan in geval van onjuistheden die zijn vastgesteld bij de controle van de boekhouding met betrekking tot de inhoud ervan, de sanctie die wordt opgelegd wanneer belastbare handelingen niet of slechts gedeeltelijk zijn opgenomen in de aangifte en wanneer het bedrag van de verschuldigde belasting meer dan 1 250 EUR bedraagt, bestaat in een verminderde forfaitaire geldboete ter hoogte van 20 % van de verschuldigde belasting, zonder dat de betaalde voorbelasting, die wegens het ontbreken van een aangifte niet in aftrek is gebracht, op de verschuldigde belasting in mindering kan worden gebracht voor de berekening van de geldboete, en terwijl volgens [artikel 1, tweede alinea,] van koninklijk besluit nr. 41 de in de tabellen A tot en met J van de bijlage bij dit besluit opgenomen verminderingsschaal slechts van toepassing is indien de bestrafte overtredingen niet zijn begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken?

2) Maakt het voor het antwoord op de eerste vraag verschil of de belastingplichtige na de controle al dan niet vrijwillig de verschuldigde belasting heeft voldaan teneinde het betalingsverzuim te herstellen en daarmee het doel van waarborging van de juiste inning van de belasting te bereiken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: EN.SA (C-712/17), (C-138/12), (C-564/15), (C-935/19)

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal