C-421/23 ONSS

Contentverzamelaar

C-421/23 ONSS

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    17 oktober 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    3 december 2023

Trefwoorden: socialezekerheidsregeling, fraude

Onderwerp:

- Verordening (EG) Nr. 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels: artikel 5;

- Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels: artikel 76, lid 6;

- Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen: artikel 14, punt 1, onder a) en artikel 84, lid 3.

Feiten:

De verdachte, EX, heeft via Belgische, Portugese, Engelse en Luxemburgse vennootschappen 650 werknemers van Portugese nationaliteit in de bouwsector tewerkgesteld op het grondgebied van België. Bij het Hof van beroep wordt door de verdachte opgekomen tegen de tenlasteleggingen: niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen, oplichting in het sociaalrechtelijke strafrecht en witwaspraktijken. In de periode van 2011 tot 2017 zijn Portugese werknemers volgens de rechterlijke instantie met vervalste A1-verklaringen op het Belgische grondgebied gedetacheerd teneinde op bouwplaatsen in België te worden tewerkgesteld. De rechter in eerste aanleg heeft geconcludeerd dat de A1-verklaringen en detacheringsovereenkomsten waren vervalst. De verdachte stelt echter dat zelfs als er aanwijzingen zijn van fraude, een dialoog- en bemiddelingsprocedure hoe dan ook moet plaatsvinden. Deze procedure vormt volgens hem een dwingende voorafgaande voorwaarde voor de vaststelling of is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen spreken van fraude.

Overweging:

De verwijzende rechter merkt nog op dat juist wanneer er sprake is van een vermoeden van fraude, het van bijzonder belang is dat de dialoog- en bemiddelingsprocedure wordt toegepast vóór de fraude eventueel door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst definitief wordt vastgesteld, aangezien zij ervoor kan zorgen dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte en dat van de lidstaat van ontvangst met elkaar in dialoog treden en nauw samenwerken om door middel van hun respectieve onderzoeksbevoegdheden uit hoofde van het nationale recht alle relevante feitelijke en juridische gegevens te verifiëren en te vergaren aan de hand waarvan de twijfels die door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst zijn geuit betreffende de omstandigheden waarin de – in casu vervalst gebleken – A1-verklaringen zijn afgegeven, kunnen worden weggenomen of juist kunnen worden bevestigd. Volgens de rechtspraak van het Hof vormt deze procedure tevens een dwingende voorafgaande voorwaarde voor de vaststelling of is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen spreken van fraude en om daaraan bijgevolg alle nuttige gevolgen te verbinden voor de geldigheid van de betrokken A1-verklaringen en voor de op de betrokken werknemers toepasselijke socialezekerheidsregeling. Ook al is er in het onderhavige geval sprake van concrete aanwijzingen van fraude die door de rechter in eerste aanleg zijn aangetoond en vastgesteld, moet toch worden opgemerkt dat er daadwerkelijk socialezekerheidsbijdragen zijn betaald aan de Portugese sociale zekerheid, zonder dat het Hof van beroep op de hoogte is gesteld van de redenen voor die betalingen. Daarbij komt dat de verzoekende partij, het Openbaar Ministerie, aanvoert dat de betrokken vennootschappen nooit werkzaamheden in Portugal hebben verricht. Dit gegeven kan volgens de verwijzende rechter gevolgen hebben voor de eventuele verbeurdverklaringen die hij zou kunnen bevelen, mochten de thans aan deze rechterlijke instantie voorgelegde tenlasteleggingen bewezen worden verklaard.

Prejudiciële vragen:

1. Moet verordening nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is wanneer ten eerste de rechterlijke instanties van de ontvangende lidstaat hebben geoordeeld dat de afgegeven A1-verklaringen zijn vervalst, zonder dat dit door partijen wordt betwist, en ten tweede de door de rechterlijke instanties van diezelfde ontvangende lidstaat verrichte onderzoeken lijken uit te wijzen dat de litigieuze verklaringen niet zijn afgegeven door het bevoegde orgaan van de uitzendende lidstaat, hoewel datzelfde orgaan wel socialezekerheidsbijdragen heeft geïnd?

2. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, vormt de dialoog- en bemiddelingsprocedure die is ingevoerd bij artikel 76, lid 6, van verordening nr. 883/20049 9 (dat de procedure overneemt als bedoeld in artikel [84], lid 3, van verordening nr. 1408/71) dan een dwingende voorafgaande voorwaarde voor de vaststelling of is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen spreken van fraude?

3. Indien deze twee vragen bevestigend worden beantwoord, mogen de autoriteiten van de lidstaat waar de werknemers hun werkzaamheden hebben verricht, op grond van het verbod van fraude en misbruik van recht, dat een algemeen beginsel van Unierecht vormt dat justitiabelen dienen na te leven, de betrokken A1-verklaringen dan ook wanneer in geval van een vermoeden van fraude geen gebruik wordt gemaakt van de dialoog- en bemiddelingsprocedure buiten beschouwing laten in de situatie waarin op grond van de aan hen ter beoordeling voorgelegde feiten kan worden vastgesteld dat de betrokken verklaringen zijn afgegeven na een door een rechterlijke instantie van de ontvangende lidstaat als frauduleus aangemerkte gedraging van de werkgever?

9 [OMISSIS]. [opmerking tussen haakjes ingevoegd in het corpus van de vraag]

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-620/15 ; C-321/05; C-251/16; C-370/17 en C-37/18 CRPNPAC en Vueling Airlines; C-12/14 Commissie/Malta; C-359/16; C-2/05

Specifiek beleidsterrein: JenV, SZW