C-422/23 JT1 Daka e.a.

Contentverzamelaar

C-422/23 JT1 Daka e.a.

Prejudiciële hofzaak C-422/23 JT1 Daka e.a. 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     26 oktober 2023
Schriftelijke opmerkingen:                     12 december 2023

Trefwoorden: rechterlijke instantie, zittingen, arbeidstijd

Onderwerp:

C-422/23, C-455/23, C-459/23

- Artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; en

- Artikel 47 en artikel 48 van het Handvest van de Europese Unie.

C-459/23 (aanvullend)

- Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;

- Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten;

- Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie.

Feiten:

C-422/23

Het cassatieberoep bij de Sąd Najwyższy (hierna: SN), hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, is ingesteld door T.B., de verzoekende partij, tegen de beschikking van de rechter in eerste aanleg uit 2019 in een zaak ingeleid door C.B., de eerste partij in het geding, met deelname van T.B. en D.B., tevens tweede partij in het geding. In 2023 is een formatie van drie rechters uit de civiele kamer van de SN samengesteld, die bevoegd is voor zaken die sterk verschillen van de onderhavige zaak en van de zaken die onder de bevoegdheid van de civiele kamer vallen. De rechter die de functie van president van de SN vervult, heeft bij gelijkluidende besluiten de rechters B.B. en M.P. aangewezen om voor de periode van 1 april 2023 tot en met 30 juni 2023 zitting te nemen in de civiele kamer van de Sąd Najwyższy, zonder dat de betrokken rechters daarmee hebben ingestemd of daarover zijn geraadpleegd. B.B. en M.P. zijn weliswaar toegewezen aan de civiele kamer, maar zij zijn daarna niet (geheel) vrijgesteld van hun rechtsprekende taken in de kamer waarin zij normaliter zitting hebben. De nationale regeling bepaalt niet uitdrukkelijk dat het besluit om een rechter aan te wijzen om zitting te nemen in een andere kamer met redenen wordt omkleed. De besluiten waarbij B.B. en M.P. aan de civiele kamer zijn toegewezen, bevatten een dergelijke onderbouwing niet. Uit de media blijkt dat deze besluiten onder meer waren ingegeven door het streven naar ondersteuning van het personeel van de civiele kamer. De verwijzende rechter is van oordeel dat deze onderbouwing niet ter zake dienend is en dat de achterstand bij de behandeling van de zaken van de civiele kamer van de SN in de eerste plaats wordt veroorzaakt door de gevolgen van de zogenoemde hervorming van de rechterlijke macht die in de afgelopen jaren in Polen is doorgevoerd. Volgens de verwijzende rechter is de passende manier om de achterstand weg te werken niet de toewijzing van rechters uit andere kamers, maar dat de  benoeming van rechters in deze kamer in overeenstemming is met de samengestelde nationale raad voor de rechtspraak. In de zaak C-493/23 zijn de vragen en de motivering zijn identiek aan de vragen en de motivering in het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-422/23.

C-455/23

In 2019 is het door de verzoekende partij, G.T., ingestelde hoger beroep afgewezen tegen het in 2019 gewezen vonnis van de rechter in eerste aanleg, waarbij onder andere is geoordeeld tot afwijzing van de door G.T. ingestelde vordering tegen Huta. Het cassatieberoep tegen de uitspraak van de rechter is ingesteld door verzoekers gemachtigde, die deze uitspraak in haar geheel heeft aangevochten en die heeft aangevoerd dat inbreuk is gemaakt op bepalingen van het Poolse burgerlijk wetboek doordat deze onjuist zijn uitgelegd. De SN heeft het ingestelde cassatieberoep ontvankelijk verklaard en doorverwezen naar de afdeling van rechter Karol Weitz. De rechter Bohdan Bieniek is middels een beschikking aangewezen om voor bepaalde tijd zitting te nemen in de civiele kamer. Krachtens deze beschikking heeft de rechter van de SN, die de president van de civiele kamer van de SN heeft vervangen, de zaak doorverwezen naar de afdeling van rechter Bohdan Bieniek van de SN. Vervolgens is bij beschikking van de voorzitter van de tweede kamer van de SN vastgesteld dat de betreffende zitting achter gesloten deuren zou worden gehouden. De rechtsprekende formatie van de SN die op die datum is samengesteld om de civiele zaak in behandeling te nemen bestond uit twee rechters van de kamer voor arbeids- en socialezekerheidszaken van de SN en, als voorzitter van de zitting, één rechter die gewoonlijk zitting heeft in de civiele kamer van de SN. Het tweede lid van deze rechtsprekende formatie dat afkomstig is van de kamer voor arbeids- en socialezekerheidszaken is aangewezen om uitspraak te doen als rechter-rapporteur. In de zaak C-486/23 zijn de vragen en de motivering zijn identiek aan de vragen en de motivering in het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-455/23.

C-459/23

De verzoekende partij, E.S.A., verhandelt elektriciteit. Verweerder nr. 1, W. sp. z o.o., houdt zich bezig met de productie, de transmissie en de distributie van elektriciteit. Verweerder nr. 2, Bank S.A., is een bank. In 2011 heeft verzoeker met verweerder een overeenkomst (hierna: CPA) gesloten. Op grond van deze CPA heeft verweerder nr. 1 zich ertoe verbonden om alle vermogensrechten die voortvloeien uit de certificaten van oorsprong die hij ontvangt in het kader van de productie van elektriciteit uit een hernieuwbare energiebron (HE) over te dragen aan verzoeker en heeft verzoeker zich ertoe verbonden om alle vermogensrechten uit hoofde van deze certificaten te verwerven in het kader van after-hour-transacties op de Poolse beurs voor handel in vermogensrechten. Verweerder nr. 1 heeft met verweerder nr. 2 een overeenkomst tot cessie van schuldvorderingen gesloten tot waarborging van de schuldvorderingen van verweerder nr. 2 uit hoofde van aan verweerder nr. 1 verstrekte kredietovereenkomsten. Aanvankelijk heeft verzoeker de certificaten van oorsprong van verweerder nr. 1 verworven in overeenstemming met de overeenkomst. Vervolgens heeft verzoeker een vruchteloze poging ondernomen om opnieuw te onderhandelen over de prijsvoorwaarden. In september 2017 heeft verzoekers raad van bestuur besloten om niet langer uitvoering te geven aan ongeveer 150 met de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde CPA vergelijkbare overeenkomsten tot verkoop van vermogensrechten die voortvloeien uit certificaten van oorsprong. Sindsdien worden de door verweerder nr. 1 aangeboden orders tot verkoop van de certificaten van oorsprong niet langer door verzoeker aanvaard. Verzoeker heeft de rechter in eerste aanleg verzocht vast te stellen dat de uit de sluiting van de onderzochte CPA voortvloeiende verbintenis niet bestaat. De rechter heeft verzoekers vordering bij vonnis afgewezen. De rechter in tweede aanleg heeft het door verzoeker ingestelde hoger beroep tegen het vonnis afgewezen. Verzoeker heeft cassatieberoep tegen de uitspraak ingesteld. Verzoeker heeft aangevoerd dat inbreuk is gemaakt op de nationale bepalingen van procesrecht en materieel recht. De gestelde schendingen van materieel recht betreffen voornamelijk de onjuiste uitlegging van verschillende nationale bepalingen in het kader van de Unierechtelijke richtlijnen.

Overweging:

C-422/23

Volgens de verwijzende rechter is het in deze zaak van wezenlijk belang dat zowel het besluit tot vaststelling van de samenstelling van de rechtsprekende formatie als het besluit tot toewijzing van B.B. en M.P. aan de civiele kamer van de SN is vastgesteld door personen die zijn benoemd tot rechter van de SN in dezelfde omstandigheden als in zaak C-487/19, W.Ż. Volgens de rechtspraak zijn gerechtelijke procedures waarbij dergelijke personen zijn betrokken, ongeldig dan wel maken zij inbreuk op het recht van een partij op een eerlijk proces bedoeld in artikel 6 van EVRM. De twijfels van de verwijzende rechter komen neer op, ten eerste, de vraag of artikel 19, lid 1, tweede alinea VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, in een situatie waarin het nationale recht voorziet in de mogelijkheid om een rechter van de SN die gewoonlijk zitting heeft in een kamer die bevoegd is voor bepaalde zaken, zonder diens instemming te plaatsen in een kamer van deze rechterlijke instantie die bevoegd is voor andersoortige zaken, aldus moet worden uitgelegd dat het vereiste dat een rechter die is toegewezen aan een andere kamer van de SN, om zijn onafhankelijkheid te handhaven, moet beschikken over een doeltreffende voorziening in rechte tegen dit toewijzingsbesluit bij een onafhankelijk en onpartijdig gerecht in een procedure die voldoet aan de vereisten van de artikelen 47 en 48 van het Handvest. Ten tweede hebben deze twijfels betrekking op de vraag of een rechterlijke instantie in laatste aanleg, waar in een kamer van drie rechters twee rechters zitting hebben die gewoonlijk zitting hebben in een andere kamer, zonder hun instemming door de president van die rechterlijke instantie zijn geplaatst in de kamer van die rechterlijke instantie die bevoegd is voor de behandeling van de betrokken zaak, zonder mogelijkheid om tevoren op te komen tegen het toewijzingsbesluit bij een onpartijdig en onafhankelijk gerecht in een procedure die voldoet aan de vereisten van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, in omstandigheden als in deze zaak, een onafhankelijk en onpartijdig, vooraf bij wet ingesteld gerecht is dat justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden verzekert.

C-455/23

Bij de drie rechters tellende rechtsprekende formatie van de SN zijn twijfels gerezen over de uitlegging van de bepalingen van Unierecht, met name over de vraag of de verwijzende rechterlijke instantie, waarvan de rechtsprekende formatie is samengesteld ten gevolge van beschikkingen van haar eerste president en van de president van haar civiele kamer, voldoet aan de in het arrest W.Ż. uiteengezette criteria voor het bestaan van een rechterlijke instantie. De redenen voor deze twijfels zijn drieledig. In de eerste plaats is aan de rechters die zijn aangewezen om zitting te nemen in een andere kamer van de SN het recht op een doeltreffende voorziening in rechte ontnomen. In de tweede plaats zijn de aldus overgeplaatste rechters aangewezen zonder dat zij daarmee hebben ingestemd, wat in strijd is met de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters en inbreuk maakt op het recht van partijen op een eerlijk proces en bijgevolg op het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming. In de derde plaats bevinden de personen die de genoemde beschikkingen hebben gegeven zich in dezelfde situatie als de rechters die zijn beschreven in de zaak W.Ż., aangezien zij in dienst zijn getreden onder kennelijke schending van de basisregels voor de benoeming van de rechters in de SN, die integrerend deel uitmaken van de organisatie en de werking van het gerechtelijk apparaat. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter zich af of de overgeplaatste rechters, gelet op de aangevoerde schendingen, mogen afzien van de tenuitvoerlegging van de genoemde beschikkingen.

C-459/23

Wat betreft de eerste, de tweede en de derde vraag, die identiek zijn aan de eerste drie vragen in zaak C-455/23. Middels de vierde vraag wenst de verwijzende rechter te weten of moet worden aangenomen dat het verwerven van groenestroomcertificaten geen deel uitmaakt van een sectorale activiteit en dat dergelijke certificaten derhalve niet worden verworven met het oog op de uitoefening van een dergelijke activiteit in de zin van artikel 20 van richtlijn 2004/17, zou de nationale wetgever evenwel evenmin een vrijstelling voor dergelijke aankopen hebben ingevoerd in de nationale wetsbepaling. Het Hof heeft benadrukt dat de bepalingen van richtlijn 2004/17 restrictief moeten worden uitgelegd, wat ervoor pleit dat een overheidsbedrijf als dat van verzoeker niet gehouden is tot het verwerven van groenestroomcertificaten in het kader van de procedure voor overheidsopdrachten. Middels de vijfde vraagt wenst de verwijzende rechter te weten te komen of met het oog op de vaststelling of de betreffende opdracht onder het recht inzake overheidsopdrachten valt in een dergelijke situatie moet worden uitgegaan van de vooraf geraamde waarde van de opdracht, van de waarde die naderhand is geraamd op grond van de werkelijke waarde van de in dat kalenderjaar gesloten uitvoeringstransacties dan wel van de totale waarde van alle verrichte uitvoeringstransacties, waarvan geen enkele afzonderlijk de waarde van de Uniedrempels heeft overschreden. Ten aanzien van de zesde vraag is naar het oordeel van de genoemde rechterlijke instanties een situatie waarin een aanbestedende dienst een opdracht rechtstreeks gunt buiten de regels inzake overheidsopdrachten om vervat in de omstandigheid dat de betreffende opdracht niet is aangekondigd. De verwijzende rechter is van oordeel dat wanneer de onderhavige zaak ten gronde wordt onderzocht, dit standpunt moet worden gedeeld. Ten aanzien van de zevende vraagt dient het Hof volgens de verwijzende rechter vast te stellen of het feit dat de betrokken justitiabele een exceptie van strijdigheid van de gesloten overeenkomst met de bepalingen van Unierecht en nationaal recht inzake overheidsopdrachten heeft opgeworpen kan worden aangemerkt als een inbreuk op de doelstelling van het Unierecht inzake overheidsopdrachten, wanneer die exceptie door de betrokkene is opgeworpen met de bedoeling om te worden vrijgesteld van de noodzaak om uitvoering te geven aan een door hem gesloten overeenkomst, gelet op de wijziging van de marktomstandigheden waardoor de verdere uitvoering van die overeenkomst minder rendabel voor hem is dan ten tijde van de sluiting van de overeenkomst is aangenomen.

Prejudiciële vragen:

C-422/23

1. Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in een situatie waarin een bepaling van nationaal recht de mogelijkheid biedt om een rechter van een nationale rechterlijke instantie in laatste aanleg (Sąd Najwyższy) bij een discretionair besluit van de president van deze rechterlijke instantie (president van de Sąd Najwyższy) zonder zijn instemming aan te wijzen om voor een bepaalde periode in een jaar zitting te nemen in een andere kamer van die rechterlijke instantie dan die waarin hij gewoonlijk, overeenkomstig zijn kwalificaties en competenties, zitting heeft, en die bevoegd is om kennis te nemen van een ander soort zaken dan hij tot dan toe heeft behandeld, aldus worden uitgelegd dat deze bepaling vereist dat die rechter, om zijn onafhankelijkheid te handhaven, tegen dat besluit een doeltreffende voorziening in rechte kan instellen bij een onafhankelijk en onpartijdig gerecht in een procedure die voldoet aan de vereisten van de artikelen 47 en 48 van het Handvest?

2. Of moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie in laatste aanleg van een lidstaat (Sąd Najwyższy) waar in een kamer van drie rechters twee rechters zitting hebben die gewoonlijk zitting hebben in een andere kamer van die rechterlijke instantie en zonder hun instemming door de president van die rechterlijke instantie zijn toegewezen aan die eerstgenoemde kamer, die bevoegd is om kennis te nemen van de betrokken zaak, zonder mogelijkheid om tevoren op te komen tegen het aanwijzingsbesluit bij een onpartijdig en onafhankelijk gerecht in een procedure die voldoet aan de vereisten van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, geen onafhankelijk en onpartijdig, vooraf bij wet ingesteld gerecht is dat justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Europese Unie vallende gebieden verzekert?

C-455/23

1. Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – benoeming) (C-487/19, EU:C:2021:798), aldus worden uitgelegd dat de aanwijzing van een rechter van de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) om zonder zijn instemming tijdelijk zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy, net als de overplaatsing van een rechter van een gewone rechterlijke instantie tussen twee kamers van een en hetzelfde gerecht, inbreuk maakt op de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters, indien:

- de betrokken rechter wordt aangewezen om uitspraak te doen in zaken waarvan het voorwerp niet valt onder de materiële bevoegdheid van de kamer waarin deze rechter overeenkomstig zijn benoeming in de Sąd Najwyższy gewoonlijk uitspraak doet;

- het tot die aanwijzing strekkende besluit niet door een dergelijke rechter in rechte kan worden betwist in een procedure die voldoet aan de vereisten van punt 118 van het arrest W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – benoeming) [C-487/19];

- de beschikking van de Pierwszy Prezes Sądu Najwyższego (eerste president van de Sąd Najwyższy) waarbij rechters zijn aangewezen om zitting te nemen in een andere kamer [van de Sąd Najwyższy] en de door de president van de civiele kamer van de Sąd Najwyższy gegeven beschikking tot toewijzing van specifieke zaken zijn gegeven door personen die tot rechter in de Sąd Najwyższy zijn benoemd in dezelfde omstandigheden als die welke aan de orde zijn in de zaak W.Ż. [C-487/19], terwijl uit de bestaande rechtspraak volgt dat gerechtelijke procedures met deelname van dergelijke personen hetzij nietig zijn, hetzij inbreuk maken op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van partijen op een eerlijk proces;

- in het nationale recht geen grondslag bestaat voor de aanwijzing van een rechter om zonder zijn instemming voor bepaalde tijd zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy dan die waarin hij gewoonlijk zitting heeft, terwijl hij tegelijkertijd wordt verplicht om ook in de eigen kamer uitspraak te blijven doen;

- de aanwijzing van een dergelijke rechter om zonder zijn instemming voor bepaalde tijd zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy dan die waarin hij gewoonlijk zitting heeft leidt tot inbreuk op artikel 6, onder b), van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9)?

2. Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, ongeacht het antwoord op de eerste vraag, aldus worden uitgelegd dat de verwijzende rechter geen „bij wet ingesteld” gerecht vormt voor zover hij uitspraak doet in het kader van een rechtsprekende formatie die is samengesteld krachtens een beschikking van de eerste president van de Sąd Najwyższy houdende aanwijzing van rechters om zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy en van een beschikking van de president van de civiele kamer van de Sąd Najwyższy houdende toewijzing van specifieke zaken, gelet op het feit dat deze beschikkingen zijn gegeven door personen die tot rechter in de Sąd Najwyższy zijn benoemd in dezelfde omstandigheden als die welke aan de orde zijn in de zaak W.Ż. [C-487/19], wanneer uit de bestaande rechtspraak volgt dat gerechtelijke procedures met deelname van aldus benoemde personen hetzij nietig zijn, hetzij inbreuk maken op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van partijen op een eerlijk proces?

3. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord of de tweede vraag aldus wordt beantwoord dat een aldus ingestelde rechterlijke instantie geen „bij wet ingesteld” gerecht is: moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat rechters die zijn benoemd om zitting te nemen in de rechtsprekende formatie van een gerecht die is ingesteld op de wijze als beschreven in de eerste en de tweede vraag mogen weigeren om handelingen in een aan hen toegewezen zaak te verrichten, waaronder het doen van een uitspraak, in de overweging dat de beschikkingen waarbij zij zijn aangewezen om zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy en waarbij specifieke zaken aan hen zijn toegewezen moeten worden geacht niet te bestaan, of zijn dergelijke rechters gehouden om [ook in dergelijke omstandigheden] een uitspraak te doen en om het besluit om al dan niet tegen die uitspraak op te komen, gelet op het feit dat inbreuk is gemaakt op het recht van partijen op behandeling van hun zaak door een gerecht dat voldoet aan de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest, over te laten aan de betrokken partijen?

C-459/23

1. Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – benoeming) (C-487/19, EU:C:2021:798), aldus worden uitgelegd dat de aanwijzing van een rechter van de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) om zonder zijn instemming tijdelijk zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy, net als de overplaatsing van een rechter van een gewone rechterlijke instantie tussen twee kamers van een en hetzelfde gerecht, inbreuk maakt op de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters, indien:

- de betrokken rechter wordt aangewezen om uitspraak te doen in zaken waarvan het voorwerp niet valt onder de materiële bevoegdheid van de kamer waarin deze rechter overeenkomstig zijn benoeming in de Sąd Najwyższy gewoonlijk uitspraak doet;

- het tot die aanwijzing strekkende besluit niet door een dergelijke rechter in rechte kan worden betwist in een procedure die voldoet aan de vereisten van punt 118 van het arrest W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – benoeming) (C-487/19);

- de beschikking van de Pierwszy Prezes Sądu Najwyższego (eerste president van de Sąd Najwyższy) waarbij rechters zijn aangewezen om zitting te nemen in een andere kamer [van de Sąd Najwyższy] en de door de president van de civiele kamer van de Sąd Najwyższy gegeven beschikking tot toewijzing van specifieke zaken zijn gegeven door personen die tot rechter in de Sąd Najwyższy zijn benoemd in dezelfde omstandigheden als die welke aan de orde zijn in de zaak W.Ż. (C-487/19), terwijl uit de bestaande rechtspraak volgt dat gerechtelijke procedures met deelname van dergelijke personen hetzij nietig zijn, hetzij inbreuk maken op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van partijen op een eerlijk proces;

- in het nationale recht geen grondslag bestaat voor de aanwijzing van een rechter om zonder zijn instemming voor bepaalde tijd zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy dan die waarin hij gewoonlijk zitting heeft, terwijl hij tegelijkertijd wordt verplicht om ook in de eigen kamer uitspraak te blijven doen;

- de aanwijzing van een dergelijke rechter om zonder zijn instemming voor bepaalde tijd zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy dan die waarin hij gewoonlijk zitting heeft leidt tot inbreuk op artikel 6, onder b), van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9)?

2. Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, ongeacht het antwoord op de eerste vraag, aldus worden uitgelegd dat de verwijzende rechter geen „bij wet ingesteld” gerecht vormt voor zover hij uitspraak doet in het kader van een rechtsprekende formatie die is samengesteld krachtens een beschikking van de eerste president van de Sąd Najwyższy houdende aanwijzing van rechters om zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy en van een beschikking van de president van de civiele kamer van de Sąd Najwyższy houdende toewijzing van specifieke zaken, gelet op het feit dat deze beschikkingen zijn gegeven door personen die tot rechter van de Sąd Najwyższy zijn benoemd in dezelfde omstandigheden als die welke aan de orde zijn in de zaak W.Ż. (C-487/19), wanneer uit de bestaande rechtspraak volgt dat gerechtelijke procedures met deelname van aldus benoemde personen hetzij nietig zijn, hetzij inbreuk maken op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van partijen op een eerlijk proces?

3. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord of de tweede vraag aldus wordt beantwoord dat een aldus ingestelde rechterlijke instantie geen „bij wet ingesteld” gerecht is: moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat rechters die zijn benoemd om zitting te nemen in de rechtsprekende formatie van een gerecht die is ingesteld op de wijze als beschreven in de eerste en de tweede vraag mogen weigeren om handelingen in een aan hen toegewezen zaak te verrichten, waaronder het doen van een uitspraak, in de overweging dat de beschikkingen waarbij zij zijn aangewezen om zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy en waarbij specifieke zaken aan hen zijn toegewezen moeten worden geacht niet te bestaan of zijn dergelijke rechters gehouden om [ook in dergelijke omstandigheden] een uitspraak te doen en om het besluit om al dan niet tegen die uitspraak op te komen, gelet op het feit dat inbreuk is gemaakt op het recht van partijen op behandeling van hun zaak door een gerecht dat voldoet aan de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest, over te laten aan de betrokken partijen?

4. Indien de hierboven geformuleerde vragen aldus worden beantwoord dat de verwijzende rechterlijke instantie een bij wet ingesteld gerecht in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is: moet artikel 3, lid 3, onder b), juncto artikel 20 en artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB 2004, L 134, blz. 1, zoals gewijzigd) aldus worden uitgelegd dat een overheidsbedrijf in de zin van artikel 2, lid 1, onder b), van deze richtlijn, dat zich bezighoudt met groothandel en detailhandel in elektriciteit, verplicht is om in het kader van de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten groenestroomcertificaten als bedoeld in artikel 2, onder k) en l), van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG (PB 2009, L 140, blz. 16, zoals gewijzigd) te verwerven?

5. Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 14, juncto artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17 aldus worden uitgelegd dat tussen een dergelijk bedrijf en een producent van energie uit hernieuwbare bronnen een raamovereenkomst moet worden gesloten volgens de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten, wanneer de geraamde (zij het in de overeenkomst niet gespecificeerde) totale waarde van de ter uitvoering van die overeenkomst verworven groenestroomcertificaten hoger is dan het drempelbedrag als genoemd in artikel 16, onder a), van die richtlijn en de waarde van de individuele transacties die ter uitvoering van die overeenkomst zijn gesloten dat drempelbedrag niet overschrijdt?

6. Indien de vierde en de vijfde vraag bevestigend worden beantwoord: vormt de sluiting van een overeenkomst in strijd met de voorschriften inzake overheidsopdrachten een geval als bedoeld in artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB 1992, L. 76, blz. 14, zoals gewijzigd), of is dit een ander geval van schending van het Unierecht inzake overheidsopdrachten dat het mogelijk maakt om de gesloten overeenkomst nietig te verklaren zonder inachtneming van de procedure die in het nationale recht tot omzetting van voornoemde richtlijn is vastgesteld?

7. Indien de vierde tot en met de zesde vraag bevestigend worden beantwoord: moet het algemene beginsel van verbod van misbruik van recht aldus worden uitgelegd dat een aanbestedend overheidsbedrijf als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/17 niet kan verzoeken om de nietigverklaring van een overeenkomst die het met een leverancier heeft gesloten in strijd met de nationale bepalingen tot omzetting van de Unierechtelijke richtlijnen inzake overheidsopdrachten, wanneer dat verzoek in werkelijkheid niet is gemotiveerd door de eis om het Unierecht te eerbiedigen maar door het feit dat de uitvoering van de overeenkomst voor dat overheidsbedrijf minder rendabel is geworden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-422/23: C-487/19 W.Ż. C-455/23: C-487/19 W.Ż.; gevoegde zaken C-585/18, C-624/18 en C-625/18 A. K. e.a.; C-824/18 A.B. e.a.; C-791/19 Europese Commissie tegen Polen; C-487/19 en C-508/19; EHRM 07-05-2021 Xero Flor w Polsce sp. z o.o./Polen; C-459/23: C-359/16; C-155/13 SICES e.a.; C-423/15; C-110/99 Emsland-Stärke; C-487/19 W.Ż.; C-393/06.

Specifiek beleidsterrein: EZK, IenW, JenV

​​​​​​