C-426/21 Ocilion IPTV Technologies

Contentverzamelaar

C-426/21 Ocilion IPTV Technologies

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    6 oktober 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    22 november 2021

Trefwoorden : auteursrecht; mededeling aan het publiek; televisie;

Onderwerp :

-           Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij

Feiten:

Verzoeksters zijn televisieproducenten, wiens televisieprogramma’s worden aangeboden door verweerster aan commerciële klanten (bijv. hotels en stadions) door middel van ‘cloud-oplossingen’ die de verweerster aanbiedt door rechtstreekse hosting, of door een ‘on-premises-oplossing’, waarbij de verweerster aan netwerkexploitanten middelen biedt tot levering van content aan eindgebruikers. Hierbij zijn netwerkexploitanten zelf verantwoordelijk voor de verwerving van de noodzakelijke rechten. Verweerster biedt namens deze levering van content haar klanten ook een online-videorecorder. Daartoe dienen klanten een bepaalde programmering in te stellen om volautomatische opnames te maken. Tijdens het opnameproces vindt er, wanneer verschillende klanten voor dezelfde opnames een programmering instellen, een ‘deduplicatieproces’ plaats, waarbij alléén op basis van de eerst ingestelde programmering één opnamekopie wordt gemaakt. Aan alle klanten die later een programmering instelden wordt een referentie verschaft waarmee ze toegang tot die ene opname verwerven. De opnamekopie wordt pas gewist wanneer de laatste klant de programmering van de desbetreffende opname heeft verwijderd. Daarnaast biedt de verweerster een herhalingsfunctie aan haar klanten, waarmee uitzendingen zonder opnameprogrammering kunnen worden teruggekeken tot zeven dagen na uitzending.

Verzoeksters hebben geen toestemming gegeven voor doorgifte van hun programma’s via internetstreaming. Ze hebben verzocht livestreaming en opname door online-video-opnames of herhalingsfunctie zonder hun toestemming te verbieden, via cloud-oplossing dan wel on-premises-oplossing.

Overweging:

Allereerst is er een geschil over de interpretatie van het concept “reproductie voor privégebruik” in de zin van artikel 5, lid 2, onder b) van de richtlijn auteursrecht waarbij voorafgaande toestemming van rechthebbenden niet vereist is. Volgens verzoeksters worden bij online-video-opnemen “masterkopieën” gemaakt door verweerster en gedistribueerd aan commerciële klanten. De werking van de herhalingsfunctie is vergelijkbaar, waarbij de klant geen programmering voor opname hoeft in te stellen. Verweerster werpt dit argument tegen, veronderstellend dat louter infrastructuur zoals geheugen en deduplicatie voor optimalisatie wordt verschaft aan klanten en dat vervaardiging van opnames enkel plaatsvindt op commando van de klant.

Daarnaast is er geschil over het concept “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1 van de richtlijn. Volgens verzoeksters is daar sprake van met betrekking tot de on-premises-oplossing, waartegen verweerster inbrengt dat dat niet zo is, aangezien zij enkel de benodigde soft- en hardware ter beschikking stelt alsook technische ondersteuning.

Prejudiciële vragen:

1. Is een nationale bepaling verenigbaar met het Unierecht wanneer zij op grond van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10) het gebruik van een door een commerciële aanbieder beschikbaar gestelde online-videorecorder toestaat die

a)         door toepassing van de deduplicatietechniek niet van elke opname die door een gebruiker wordt geïnitieerd een afzonderlijke kopie van de geprogrammeerde programma-inhoud maakt, maar wanneer de betrokken inhoud reeds is opgeslagen op initiatief van een gebruiker die deze inhoud als eerste heeft opgenomen, louter – ter vermijding van redundante gegevens – een referentie aanbrengt waardoor de volgende gebruiker toegang kan krijgen tot de reeds opgeslagen inhoud;

b)         is voorzien van een herhalingsfunctie door middel waarvan het volledige programma-aanbod van alle gekozen tv-zenders de klok rond wordt opgenomen en gedurende zeven dagen op afroep beschikbaar wordt gesteld, voor zover de gebruiker daartoe in het menu van de online-videorecorder eenmalig het vakje bij de gewenste zenders aanklikt, en

c)         de gebruiker (ofwel ingebed in een cloud-dienst van de aanbieder ofwel in het kader van de door de aanbieder beschikbaar gestelde on premises IPTVtotaaloplossing) ook toegang verschaft tot beschermde programma-inhoud zonder toestemming van de rechthebbenden?

2. Moet het begrip „mededeling [...] aan het publiek” in artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2001/29] aldus worden uitgelegd dat een dergelijke mededeling wordt gedaan door een commerciële aanbieder van een (on premises) IPTVtotaaloplossing in het kader waarvan hij, naast soft- en hardware voor de ontvangst van tv-programma’s via het internet, ook technische ondersteuning biedt en de dienst voortdurend aanpast, met dien verstande dat de dienst geheel op de infrastructuur van de klant wordt uitgevoerd, waarbij aan de gebruiker niet alleen programma-inhoud beschikbaar wordt gesteld met het online-gebruik waarvan de betrokken rechthebbenden hebben ingestemd, maar ook beschermde inhoud waarvoor die toestemming niet is verkregen, en de aanbieder

a)         invloed kan uitoefenen op de tv-programma’s die door de eindgebruikers via de dienst kunnen worden ontvangen,

b)         weet dat zijn dienst ook de ontvangst van beschermde programma-inhoud mogelijk maakt zonder toestemming van de rechthebbenden, doch

c)         geen reclame maakt voor deze mogelijkheid tot ongeoorloofd gebruik van zijn dienst – wat een belangrijke stimulans zou zijn voor de aankoop van het product –, maar zijn klanten er integendeel bij het sluiten van de overeenkomst op wijst dat zij de rechten op eigen verantwoordelijkheid moeten zien te verkrijgen, en

d)         door zijn activiteit geen bijzondere toegang biedt tot programma-inhoud die zonder zijn toedoen niet of slechts moeilijk kan worden ontvangen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; OCW