C-437/25 Avtomobilna administratsia Gabrovo

Contentverzamelaar

C-437/25 Avtomobilna administratsia Gabrovo

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     26 augustus 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     12 oktober 2025

Trefwoorden: bestuursrechtelijke sancties, boetes en dwangsommen, evenredigheidsbeginsel

Onderwerp: Uitvoeringsverordening 646/2012 (uitvoeringsbepalingen inzake boetes en dwangsommen): artikelen 13 en 15; VEU: artikel 5, lid 4.

Verzoeker heeft in juli 2024 een geldboete opgelegd gekregen vanwege het rijden (als vervoerder van internationale goederen) met de bestuurderskaart van een andere bestuurder. Verzoeker heeft de boete aangevochten en gesteld dat er geen gemotiveerd en begrijpelijk onderzoek is gedaan. In Bulgarije is een vast boetebedrag bepaald voor deze overtredingen, ongeacht de omstandigheden van de overtreding (zoals ernst van de inbreuk). De Bulgaarse rechter vraagt zich af of dit in overeenstemming is met de criteria voor de toepassing en kwantificering van boetes en dwangsommen van uitvoeringsverordening 646/2012, en of de nationale regelgeving daarmee in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. 

Prejudiciële vragen: 
1) Is de sanctie van artikel 93c, lid 5, van de Zakon za avtomobilnite prevozi (wet inzake het wegvervoer) voor de overtreding bestaande in het gebruik van een bestuurderskaart van een ander verenigbaar met de criteria voor toepassing en kwantificering van boetes en dwangsommen die zijn vastgesteld in de artikelen 13 en 15 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 646/2012 van de Commissie van 16 juli 2012 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake boetes en dwangsommen uit hoofde van verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, waarin de toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij het opleggen van boetes en dwangsommen door de Europese Commissie is geregeld? Zijn deze sancties in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel in de zin van artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat een van de algemene beginselen van het Unierecht is die de lidstaten in acht moeten nemen, aangezien deze bepaling voorziet in een forfaitaire en aanzienlijke sanctie voor Bulgaarse burgers? 

2) Moet het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 november 2024, Ekostroy (С-61/23, EU:C:2024:974), met inachtneming van de uiteenzetting van het Hof in punt 53 daarvan[, dat luidt als volgt]: „In die omstandigheden lijkt het onevenredig aan de door de Unieregeling nagestreefde doelstellingen wanneer een forfaitaire geldboete of geldelijke sanctie wordt opgelegd voor elke inbreuk op bepaalde in de wet vastgestelde verplichtingen zonder dat rekening wordt gehouden met de ernst van de inbreuk, zoals het geval is bij de sanctieregeling in het hoofdgeding”, worden uitgelegd en toegepast met het oog op alle in het bestuursrecht van de Republiek Bulgarije voorziene sanctiebepalingen? Moet, gelet op het voorgaande, een nationale wettelijke regeling die, zoals artikel 93c, lid 5, van de wet inzake het wegvervoer, voorziet in een dergelijke forfaitaire sanctie, in het licht van het aangehaalde arrest van het Hof worden geacht in overeenstemming te zijn met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: С-61/23

Specifiek beleidsterrein: IenW

Gerelateerde documenten