C-443/15 Parris

Contentverzamelaar

Terug C-443/15 Parris

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak|
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   29 september 2015
Concept schriftelijke opmerkingen:       15 oktober 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   15 november 2015
Trefwoorden: sociaal beleid; geregistreerd partnerschap; discriminatie (seksuele geaardheid; gelijke beloning)

Onderwerp
Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (Pb L 303 van 2.12.2000, blz. 16)

Verzoeker Dr David Parris, geboren 1946, heeft zowel IER als VK-nationaliteit. Hij leeft sinds meer dan 30 jaar met zijn partner van hetzelfde geslacht. In april 2009 heeft hij in VK (omdat het toen in IER nog niet mogelijk was) dit partnerschap laten registreren. Erkenning in IER volgt in 2011 als ook in IER de wettelijke mogelijkheid daartoe is geopend. (Sinds medio dit jaar wordt na een referendum gewerkt aan wetgeving om ook het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht open te stellen).
Sinds 1972 is verzoeker docent geweest bij eerste verweerder (Trinity College) waar hij deelnemer wordt in het pensioenstelsel (TCD). In het pensioenreglement is geregeld dat de pensioenuitkering als nabestaandenpensioen aan de huwelijkspartner c.q. geregistreerde partner kan worden uitgekeerd. Dit kan echter alleen indien de deelnemer een huwelijk (of thans een geregistreerd partnerschap) is aangegaan voordat deze de leeftijd van 60 jaar bereikt. Sinds 2010 is het pensioenfonds ondergebracht bij een staatsorgaan (NTMA) dat de bedrijfsmiddelen van de IER regering beheert. Bij de overdracht blijkt dat het TCD een flink tekort heeft waardoor aan slechts 37% van de opgebouwde rechten kan worden voldaan. Verzoeker vraagt in januari 2010 gebruik te mogen maken van vroegtijdige pensionering per 31-12-2010 en dient in september 2010 een verzoek in bij TCD om te voorzien in de uitkering van een nabestaandenpensioen aan zijn partner. Dit laatste wordt, ook in hoger beroep, afgewezen. Na zijn pensionering stapt hij naar het Equality Tribunal waar hij stelt dat hij wordt gediscrimineerd op grond van leeftijd en seksuele geaardheid. Na afwijzing gaat hij in beroep bij de verwijzende rechter. Hij stelt rechtstreeks beroep te kunnen doen op RL 2000/78 en dat volgens jurisprudentie van het HvJEU pensioen gelijk is aan beloning in de zin van VWEU artikel 157. Hij wijst erop dat de regelgeving heeft belet dat hij vóór zijn 60ste een huwelijk kon aangaan met zijn partner. Verweerder TCD wijst discriminatie af: de regeling, die verenigbaar is met artikel 6, lid 2, van de RL, is ingesteld bescherming te bieden tegen op gezondheidsredenen gebaseerde negatieve selectie door individuele deelnemers ten nadele van het pensioenfonds of de overige deelnemers. Dezelfde eisen gelden voor heteroseksuele partners.

Voor de verwijzende IER rechter (Labour Court) is duidelijk dat verzoeker indien dat wettelijk mogelijk was geweest veel eerder zijn partnerschap had laten registreren dan wel was gehuwd. Verweerder beroept zich op financiële belangen maar het HvJEU heeft als vaste rechtspraak dat kostenoverwegingen op zich niet het voortbetaan van ongelijkheid kunnen rechtvaardigen. Hij legt het HvJEU de volgende prejudiciële vragen voor:
1. Is sprake van discriminatie op grond van seksuele geaardheid in strijd met artikel 2 van richtlijn 2000/78/EG, indien toepassing wordt gegeven aan een regel van een bedrijfspensioenregeling waarbij de betaling van een nabestaandenpensioen aan de nabestaande geregistreerde partner van een deelnemer van de regeling bij diens overlijden wordt beperkt door de eis dat de deelnemer en zijn nabestaande geregistreerde partner hun geregistreerd partnerschap moeten zijn aangegaan voordat de deelnemer de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, waarbij de omstandigheden aldus waren dat toen de deelnemer de leeftijd van 60 jaar bereikte, het voor hen volgens de nationale wetgeving nog niet was toegestaan om een geregistreerd partnerschap aan te gaan, en voorts de deelnemer en zijn geregistreerde partner reeds vóór die datum zich hadden verbonden als levenspartners?
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord,
2. is sprake van discriminatie op grond van leeftijd in strijd met artikel 2 juncto artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78/EG, indien een pensioenverstrekker krachtens een bedrijfspensioenregeling het recht op een nabestaandenpensioen beperkt ten aanzien van de nabestaande geregistreerde partner van een deelnemer van de regeling bij diens overlijden door te eisen dat de deelnemer en zijn nabestaande geregistreerde partner hun geregistreerd partnerschap moeten zijn aangegaan voordat de deelnemer de leeftijd van 60 jaar bereikt, indien:
(a) de eis ten aanzien van de leeftijd waarop een deelnemer een geregistreerd partnerschap moet zijn aangegaan, niet een criterium is dat wordt gehanteerd in actuariële berekeningen; en
(b) op het moment dat de deelnemer de leeftijd van 60 jaar bereikte, het volgens de nationale wetgeving nog niet was toegestaan voor de deelnemer en zijn geregistreerde partner om een geregistreerd partnerschap aan te gaan, en indien de deelnemer en zijn geregistreerde partner reeds vóór die datum zich hadden verbonden als levenspartners?
Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord,
3. is sprake van discriminatie in strijd met artikel 2 juncto artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78/EG, indien de beperkingen op het recht tot een pensioen in het kader van een bedrijfspensioenregeling als omschreven in de eerste en de tweede vraag voortvloeien uit de samenlopende gevolgen van de leeftijd en de seksuele geaardheid van een deelnemer aan die regeling?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-267/06 Maruko; C-147/08 Römer; C-476/11 Kristensen;
Specifiek beleidsterrein: SZW en BZK

Gerelateerde documenten