C-445/21 EUROBANK BULGARIA

Contentverzamelaar

C-445/21 EUROBANK BULGARIA

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    6 oktober 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    22 november 2021

Trefwoorden : kredietverstrekking; rechterlijke bevoegdheid; onroerende goederen;

Onderwerp :

-           Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

-           Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake het consumentenkrediet;

Feiten:

De rechtsvoorganger van verzoekster en NI en RZ hebben een leningsovereenkomst voor 500.000 euro gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat het bedrag wordt aangewend om eigen middelen van NI en RZ voor de aankoop van onroerende zaken in woningen te herfinancieren en dat er zekerheden zullen worden gevestigd op die onroerende zaken. Vervolgens zijn er aanvullende voorwaarden overeengekomen en gerechtelijke procedures ingeleid wegens niet-betaling van contractueel verschuldigde bedragen. Verweerders zijn vervolgens hun verplichtingen uit de kredietovereenkomst niet nagekomen. Verzoekster vordert nu veroordeling van verweerders tot betaling van een gedeelte (15.000 euro) van de verschuldigde hoofdsom. Uit de overeenkomst blijkt dat deze in Sofia is gesloten tussen een Bulgaarse rechtspersoon (rechtsvoorganger van verzoekster) en in Ierland gevestigde natuurlijke personen bij wie zich later een Bulgaarse rechtspersoon heeft gevoegd. De kredietinstelling was ten tijde van sluiting van de overeenkomst niet actief in de woonstaat van de natuurlijke personen. Partijen zijn overeengekomen dat geschillen omtrent de overeenkomst dienen te worden voorgelegd aan de bevoegde Bulgaarse rechter. Verzoekster stelt dat de Bulgaarse rechter dan ook bevoegd is, nu kredietovereenkomsten aangaande voor bewoning bestemde onroerende goederen niet binnen de werkingssfeer van art. 17, lid 1, onder b), van verordening 1215/2012 vallen. Verweerders hebben zich niet uitgesproken over het geschil.

Overweging:

De verwijzende rechter constateert dat de rechtspraak van de Bulgaarse rechterlijke instanties over de uitlegging van art. 17, lid 1, onder b), van verordening 1215/2012 niet uniform is. Zelf is hij van mening dat art. 17, lid 1, onder b), van verordening 1215/2012 als bijzondere regel strikt moet worden uitgelegd. De daar gebezigde term ‘zaken’ zou enkel betrekking hebben op roerende zaken. Zijn benadering zou daarnaast worden gerechtvaardigd door het doel om het vrij verrichten van diensten te waarborgen: nu de rechtsbescherming in het geval van niet-nakoming van contractuele verplichtingen rechtstreeks extra kosten voor de financierende instelling meebrengt moet worden verduidelijkt welke rechter bevoegd is. De regels aangaande de uitwinning van zekerheden bepalen bovendien dat de autoriteiten van de plaats van ligging van het onroerende goed bevoegd zijn. Het lijkt hem dan ook logisch dat de krachtens art. 25 van verordening 1215/2012 aangewezen rechter bevoegd is om kennis te nemen van een geschil over de niet-nakoming van contractuele verplichtingen. Daarnaast stelt de verwijzende rechter dat de inhoud van het begrip ‘consument’ in de context van verordening 1215/2012 van belang is om te kunnen beoordelen of de kredietverstrekker bij meerdere verwerende partijen de bevoegde rechter mag kiezen. Tot slot merkt de verwijzende rechter op dat de nationale rechtspraak over de criteria die de inhoud van het begrip ‘woonplaats’ bepalen niet uniform is.

Prejudiciële vragen:

1) Moet het begrip „consument”, zoals dat wordt gehanteerd in artikel 17 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, worden uitgelegd overeenkomstig de inhoud ervan zoals die is vastgesteld in het kader van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet, of heeft het een zelfstandige inhoud?

2) Is het doel dat voortvloeit uit de regelmatige werking van de overeenkomst, die in casu de mogelijkheid van een toekomstige winst (investeringsproject) biedt, dan wel de band tussen de overeenkomst en de commerciële of beroepsactiviteit die de persoon ten tijde van de sluiting van de overeenkomst uitoefent, relevant voor de beoordeling of er sprake is van een „consument”?

3) Moet het begrip „lening op afbetaling”, zoals dat wordt gehanteerd in artikel 17, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, aldus worden uitgelegd dat het alleen ziet op overeenkomsten betreffende goederen (materiële goederen, roerende goederen), of omvat het alle leningen, waaronder een bankkrediet dat wordt aangegaan ter verwerving van een voor bewoning bestemd onroerend goed?

4) Kunnen aan verordening nr. 1215/2012, wanneer zij voor het begrip „woonplaats” in artikel 62, lid 1, verwijst naar het nationale recht van de rechter bij wie een zaak aanhangig is gemaakt, autonome criteria worden ontleend (bijvoorbeeld een formeel vereiste van een band met een bepaald grondgebied) om vast te stellen of er sprake is van een woonplaats op het grondgebied van de lidstaat bij een van welke gerechten een rechtsvordering tegen een consument aanhangig is?

5) Voor zover een krediet dat wordt aangegaan ter verwerving van een voor bewoning bestemd onroerend goed een consumentenovereenkomst in de zin van artikel 17, lid 1, onder c), kan zijn, wat moet dan worden verstaan onder het begrip „gewone verblijfplaats”, zoals dat wordt gehanteerd in artikel 19, lid 3, van verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, en is het met name mogelijk dat dit begrip verband houdt met het centrum van de voornaamste belangen van de consument?

6) Indien verordening (EU) nr. 1215/2015, teneinde de doeltreffende toepassing ervan te waarborgen, autonome criteria met betrekking tot het begrip „woonplaats” bevat, moet dan ook de territoriale bevoegdheid worden vastgesteld op basis van dit begrip?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-327/10 Hypoteční banka;

Specifiek beleidsterrein: JenV, FIN; EZK