C-468/20 Fastweb e.a.    

Contentverzamelaar

C-468/20 Fastweb e.a.    

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     11 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     27 januari 2021

Trefwoorden : bevoegdheid rechter; telecom

Onderwerp :

-           Artikel 267 VWEU;

-           Artikelen 49 en 56 VWEU (vrijheid van vestiging en dienstverrichting);

-           Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG;

-           Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG;

Feiten:

De AGCOM (toezichthoudende autoriteit voor de communicatiesector) heeft een besluit goedgekeurd, waarbij zij ter bescherming van de gebruikers van mobiele en vaste telefoondiensten een aantal maatregelen heeft ingevoerd. In dit besluit is de frequentie voor de verlenging van pakketten van de gebruikers alsook de factureringsperioden voor de aan de gebruikers verleende diensten gereguleerd. De telefoonmaatschappijen Fastweb SpA, Tim SpA, Vodafone Italia SpA en Wind Tre SpA (hierna: verzoeksters) hebben elk afzonderlijk beroep tegen dit besluit ingesteld. Nadat de rechter in eerste aanleg het beroep had verworpen, hebben deze exploitanten hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Verzoekers hebben hierbij de exceptie opgeworpen dat de AGCOM geen regelgevingsbevoegdheid heeft, en dat de beginselen van evenredigheid en non-discriminatie zijn geschonden.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter moet voor de beslechting van het hoofdgeding worden nagegaan of de door de nationale regelgevende instantie vastgestelde maatregelen die de frequentie van de verlenging van pakketten en de facturering beperken: a) een rechtsgrondslag hebben, b) evenredig zijn, en c) geen onredelijke discriminatie tussen exploitanten van mobiele telefonie en die van vaste telefonie tot gevolg hebben. Alvorens deze vragen te behandelen, moet volgens de verwijzende rechter worden verduidelijkt in hoeverre nationale rechterlijke instanties in laatste aanleg – zoals de verwijzende rechter – verplicht zijn tot een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU, om vast te stellen of deze verplichting in de onderhavige zaak van toepassing is.

Prejudiciële vragen:

1) Verplicht de juiste uitlegging van artikel 267 VWEU de nationale rechterlijke instantie waarvan beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, er ook toe een prejudiciële vraag te stellen over de uitlegging van het [Unie]recht dat relevant is in het kader van het hoofdgeding, indien elke twijfel over de aan de betrokken Europese bepaling toe te kennen betekenis kan worden uitgesloten – rekening houdend met de aan het [Unie]recht eigen terminologie en de betekenis die aan de bewoordingen van deze bepaling kan worden toegekend, het Europese regelgevingskader waarin deze bepaling is opgenomen en de beschermingsdoelen die aan de vaststelling daarvan ten grondslag liggen, gelet op de stand van het Unierecht op het tijdstip waarop de betrokken bepaling in het kader van het nationale geding moet worden toegepast – maar vanuit subjectief oogpunt, gezien het gedrag van andere rechterlijke instanties, niet omstandig kan worden aangetoond dat de door de aangezochte rechter gegeven uitlegging identiek is aan de uitlegging die door de rechters van andere lidstaten en door het Hof van Justitie zou worden gegeven indien dezelfde vraag aan hen zou worden voorgelegd?

Mocht het Hof van Justitie oordelen dat een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU verplicht is indien niet omstandig kan worden aangetoond welke uitlegging aan dezelfde, in het kader van het hoofdgeding relevante vraag zou worden gegeven door de rechterlijke instanties van de andere lidstaten en het Hof van Justitie – bewijs (betreffende de subjectieve houding van andere rechterlijke instanties) dat in de door de Consiglio di Stato onderzochte zaak niet kan worden geleverd – worden de volgende aanvullende prejudiciële vragen gesteld:

2) Staan de juiste uitlegging van de artikelen 49 en 56 VWEU alsmede het geharmoniseerde rechtskader dat wordt gevormd door de richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG, en met name artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 2002/21/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG, artikel 3 van richtlijn 2002/20/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG, en de artikelen 20, 21 en 22 van richtlijn 2002/22/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG, in de weg aan een nationale regeling als kan worden afgeleid uit de artikelen 13, 70 en 71 van decreto legislativo nr. 259/03, artikel 2, lid 12, onder h) en l), van wet nr. 481/1995 en artikel 1, lid 6, punt 2, van wet nr. 249/1997, waarbij aan de nationale regelgevende instantie op het gebied van elektronische communicatie de bevoegdheid is toegekend om: i) voor mobiele telefonie voor de verlenging van pakketten en de facturering een frequentie van ten minste vier weken voor te schrijven, en daarbij exploitanten die voor de verlenging en de facturering een andere dan de maandelijkse frequentie hanteren, ertoe te verplichten de gebruiker onverwijld in te lichten door een sms te sturen wanneer het pakket is verlengd; ii) voor vaste telefonie voor de verlenging van pakketten en de facturering een frequentie voor te schrijven van een maand of een veelvoud daarvan; iii) in geval van pakketten die zowel mobiele als vaste telefonie omvatten, de frequentie voor vaste telefonie toe te passen?

3) Staan de juiste uitlegging en toepassing van het evenredigheidsbeginsel, in combinatie met de artikelen 49 en 56 VWEU en het geharmoniseerde rechtskader dat wordt gevormd door de richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG, en met name artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 2002/21/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG, artikel 3 van richtlijn 2002/20/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG, en de artikelen 20, 21 en 22 van richtlijn 2002/22/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG, eraan in de weg dat de nationale regelgevende instantie op het gebied van elektronische communicatie regelgevende maatregelen vaststelt die ertoe strekken: i) voor mobiele telefonie voor de verlenging van pakketten en de facturering een frequentie van ten minste vier weken voor te schrijven, en daarbij exploitanten die voor de verlenging en de facturering een andere dan de maandelijkse frequentie hanteren, ertoe te verplichten de gebruiker onverwijld in te lichten door een sms te sturen wanneer het pakket is verlengd; ii) voor vaste telefonie voor de verlenging van pakketten en de facturering een frequentie voor te schrijven van een maand of een veelvoud daarvan; iii) in geval van pakketten die zowel mobiele als vaste telefonie omvatten, de frequentie voor vaste telefonie toe te passen?

4) Staan de juiste uitlegging en toepassing van de beginselen van nondiscriminatie en gelijke behandeling, in combinatie met de artikelen 49 en 56 VWEU en het geharmoniseerde rechtskader dat wordt gevormd door de richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG en met name artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 2002/21/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG, artikel 3 van richtlijn 2002/20/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG, en de artikelen 20, 21 en 22 van richtlijn 2002/22/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG, eraan in de weg dat de nationale regelgevende instantie op het gebied van elektronische communicatie regelgevende maatregelen vaststelt die ertoe strekken: i) voor mobiele telefonie voor de verlenging van pakketten en de facturering een frequentie van ten minste vier weken voor te schrijven, en daarbij exploitanten die voor de verlenging en de facturering een andere dan de maandelijkse frequentie hanteren, ertoe te verplichten de gebruiker onverwijld in te lichten door een sms te sturen wanneer het pakket is verlengd; ii) voor vaste telefonie voor de verlenging van pakketten en de facturering een frequentie voor te schrijven van een maand of een veelvoud daarvan; iii) in geval van pakketten die zowel mobiele als vaste telefonie omvatten, de frequentie voor vaste telefonie toe te passen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV; EZK