C-473/25 Adamon

Contentverzamelaar

C-473/25 Adamon

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     8 september 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     25 oktober 2025

Trefwoorden: consumentenkredietovereenkomsten, informatieplicht, sanctie kosteloze kredietverstrekking

Onderwerp: Richtlijn 2008/48 (consumentenkredietovereenkomsten): artikel 10, lid 2 en artikel 23.

Verzoekende partij LG heeft met een Poolse bank twee kredietovereenkomsten gesloten. LG doet nu een beroep op de sanctie van kosteloze kredietverstrekking ten aanzien van beide overeenkomsten. Zij stelt dat de bank meerdere inbreuken heeft gemaakt op de wet inzake het consumentenkrediet, waaronder het schenden van informatieplichten. Het is de vraag of de sanctie, waarmee de kredietgever het recht op rente en andere kosten ontnomen wordt, verenigbaar is met artikel 23 van richtlijn 2008/48 die bepaalt dat de door de lidstaat gehanteerde sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. De Poolse rechter stelt verder vragen over de verplicht op te nemen informatie in de kredietovereenkomst.

Prejudiciële vragen: 
1) Is een nationale wettelijke bepaling die de kredietgever het recht op rente en andere kosten ontneemt in het geval dat de kredietovereenkomst niet alle elementen van artikel 10, lid 2, van de richtlijn bevat of wanneer de daarin verstrekte informatie onjuist, onduidelijk of niet beknopt is, verenigbaar met artikel 23 van richtlijn 2008/48? 

2) Is het in strijd met artikel 10, lid 2, en artikel 23 van richtlijn 2008/48 om het nationale recht aldus uit te leggen dat de consument alleen bescherming wordt geboden wanneer de kredietovereenkomst geen van de elementen van artikel 10, lid 2, van de richtlijn bevat, en hem geen bescherming wordt geboden in het geval dat die elementen weliswaar formeel in de overeenkomst zijn opgenomen, maar onvolledig of onjuist zijn geformuleerd? 

3) Verzet artikel 10, lid 2, onder d), f) en g), gelezen in samenhang met artikel 3, onder g), h), i) en j), van richtlijn 2008/48 zich ertegen dat de kredietgever kosten in rekening brengt in de vorm van rente over het bedrag van de commissie of andere soortgelijke kosten (waaronder verzekeringspremies), welke kosten bij de sluiting van een consumentenkredietovereenkomst worden meegefinancierd maar gelijktijdig door de kredietgever worden geïnd (waarbij de consument niet daadwerkelijk over het bedrag ervan kan beschikken)? 

4) Is het in strijd met artikel 10, lid 2, en artikel 23 van richtlijn 2008/48 om het nationale recht aldus uit te leggen dat het aan de kredietgever wordt toegestaan om in een consumentenkredietovereenkomst begrippen op te nemen waarvan de betekenis grotendeels samenvalt met die van het begrip „totaal kredietbedrag” (bijvoorbeeld „kredietbedrag”, „bedrag van het verstrekte krediet” en „krediet”) en waarvan de door de kredietgever vastgestelde betekenis leidt tot de veronderstelling dat zij betrekking hebben op bedragen die bovenop het totale kredietbedrag aan de consument beschikbaar zijn gesteld, en waarvoor rente wordt berekend, terwijl aan de consument slechts het totale kredietbedrag beschikbaar is gesteld en het door de kredietgever ingevoerde gelijkaardige begrip betrekking heeft op de som van dat totale kredietbedrag en de kredietkosten die de kredietgever heeft meegefinancierd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-42/15 Home Credit Slovakia; C-755/22; C-33/20, C-155/20 en C-187/20 Volkswagen Bank e.a.; C-565/12 LCL Le Crédit Lyonnais; C-303/20 Ultimo Portfolio Investment (Luxembourg); C-377/14; C-66/19 Kreissparkasse Saarlouis; C-38/21, C-47/21 en C-232/21 BMW Bank e.a.; C-383/18 Lexitor; C-779/18 Mikrokasa en Revenue Niestandaryzowany Sekurytyzacyjny Fundusz Inwestycyjny Zamknięty w Warszawie; C-714/22 Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst); C-679/18 OPR-Finance.

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZ