C-478/23 Mercedes-Benz Group
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 8 april 2026 Schriftelijke opmerkingen: 25 mei 2026
Trefwoorden: emissiegrenswaarden, EG-typegoedkeuringstest, uitlaatgasrecirculatiesysteem (EGR-systeem)
Onderwerp: Richtlijn 2007/46 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn): Artikel 3, punten 3, 5, 17 en 36, artikel 18, lid 1, artikel 26, lid 1, en artikel 46; Verordening (EG) 715/2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6): overwegingen 6 en 15, artikel 3, punt 10, artikel 4, leden 1 en 2, artikel 5, en bijlage I.
XK heeft een tweedehandse auto gekocht van Mercedes-Benz Group AG (hierna: verweerster) met een dieselmotor. Het voertuig is uitgerust met een uitlaatgasrecirculatiesysteem. XK vordert schadevergoeding van verweerster omdat het voertuig naar het oordeel van XK is uitgerust met verboden manipulatie-instrumenten, die ervoor zorgt dat bij bepaalde temperaturen de uitlaatgasreiniging wordt verminderd, wat leidt tot hogere uitstoot van schadelijke stoffen dan toegestaan tijdens reële rijomstandigheden. Volgens XK had hij het voertuig niet gekocht indien hij van de aanwezigheid van de verboden manipulatiesoftware op de hoogte was geweest, en dat hij daardoor vermogensschade heeft geleden. Verweerster betwist dat het voertuig gebrekkig is en stelt dat het voertuig een geldige en rechtsgeldige EG-typegoedkeuring heeft, dat het voertuig zonder beperkingen kan worden gebruikt en dat er geen sprake is van een lagere waarde of verminderde levensduur. De verwijzende rechter vraagt het Hof om uitleg over de emissieregelgeving in relatie tot daadwerkelijke rijomstandigheden, of toewijzing van schadevergoeding door de burgerlijke rechter bij aansprakelijkheid wegens schending van deze regels is toegestaan en hoe de bewijslast moet worden verdeeld in schadevergoedingsprocedures.
Prejudiciële vragen:
1. Kan een constructieonderdeel in een motorvoertuig dat de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de ingeschakelde versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meet om op basis van het resultaat van deze meting de parameters van het verbrandingsproces in de motor te wijzigen, ook dan de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 verminderen en derhalve een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 vormen, wanneer de wijziging van de parameters van het verbrandingsproces door het constructieonderdeel op basis van het resultaat van de meting weliswaar enerzijds de emissie van een of meer schadelijke stoffen zoals stikstofoxiden verhoogt, maar anderzijds tegelijkertijd de emissie van een of meer andere schadelijke stoffen zoals fijnstof, koolwaterstoffen, koolmonoxide en/of kooldioxide vermindert? 2. Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: onder welke voorwaarden vormt een constructieonderdeel in een dergelijk geval een manipulatie-instrument?
3. Kan een schakeling of regeleenheid in een motorvoertuig die door de erdoor teweeggebrachte wijziging van de parameters van het verbrandingsproces weliswaar enerzijds de emissie van een of meerdere specifieke schadelijke stoffen zoals stikstofoxide verhoogt, maar anderzijds tegelijkertijd de emissie van een of meer andere schadelijke stoffen zoals fijnstof, koolwaterstoffen, koolmonoxide en/of kooldioxide vermindert, volgens het Unierecht verboden zijn op andere gronden dan de aanwezigheid van een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007?
4. Indien de derde vraag bevestigend moet worden beantwoord: onder welke voorwaarden is dit het geval?
5. Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: is volgens artikel 5, lid 2, tweede volzin, onder a), van verordening nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3, punt 10, van deze verordening ook toegestaan wanneer het weliswaar niet noodzakelijk is om de motor tegen schade of een ongeval te beschermen, maar wel om de veilige werking van het voertuig te verzekeren?
6. Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: zijn bepalingen van nationaal recht op basis waarvan de koper van een voertuig in een geding met de fabrikant ervan ten volle moet bewijzen dat dit is uitgerust met een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 en bovendien ook het ontbreken van feiten moet bewijzen op grond waarvan een in hierboven bedoelde zin aangetoond manipulatie-instrument bij wijze van uitzondering volgens artikel 5, lid 2, tweede volzin, onder a), van verordening nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 is toegestaan, zonder dat de fabrikant van het voertuig verplicht is hiertoe in het kader van een instructiemaatregel informatie te verstrekken, in strijd met artikel 18, lid 1, artikel 26, lid 1, en artikel 46 van richtlijn 2007/46 van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007, genoemd in het arrest van het Hof van 21 maart 2023 (zaaknummer C-100/21), voor zover uit deze laatste bepalingen volgt dat de koper van een voertuig, wanneer dat is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument, recht heeft op een schadevergoeding van de fabrikant (zie punten 91 en 93 van het aangehaalde arrest)?
7. Indien de zesde vraag bevestigend moet worden beantwoord: hoe is naar Unierecht de bewijslast verdeeld in een geding tussen de koper en de fabrikant van een voertuig in geval van een vordering tot schadevergoeding van eerstgenoemde tegen laatstgenoemde wegens de aanwezigheid van een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 in combinatie met feiten op grond waarvan dat manipulatie-instrument bij wijze van uitzondering volgens artikel 5, lid 2, tweede volzin, onder a), van verordening nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 is toegestaan?
Kunnen partijen in elk geval ieder aanspraak maken op een lichtere bewijslast, en zo ja, welke, of gelden voor hen eventueel verplichtingen, en zo ja, welke? Indien er verplichtingen gelden: wat zijn de gevolgen van niet-naleving?
8. Indien de derde vraag bevestigend moet worden beantwoord: zijn bepalingen van nationaal recht op basis waarvan de koper van een voertuig in een geding met de fabrikant ervan ten volle moet bewijzen dat dit is uitgerust met een weliswaar niet als manipulatie-instrument in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 te kwalificeren, maar met een op grond van andere redenen verboden schakeling of regeling zonder dat de tegenpartij verplicht is hiertoe in het kader van een instructiemaatregel informatie te verstrekken, in strijd met artikel 18, lid 1, artikel 26, lid 1, en artikel 46 van richtlijn 2007/46 van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007, genoemd in het arrest in de zaak C-100/21, voor zover uit deze laatste bepalingen volgt dat de koper van een voertuig, wanneer dat is uitgerust met een verboden schakeling of regeling, recht heeft op een schadevergoeding van de fabrikant (zie punten 91 en 93 van het aangehaalde arrest)? 9. Indien de achtste vraag bevestigend moet worden beantwoord: hoe is naar Unierecht de bewijslast verdeeld in een geding tussen de koper van een voertuig en de fabrikant ervan betreffende een vordering tot schadevergoeding van eerstgenoemde tegen laatstgenoemde wegens de aanwezigheid van een verboden schakeling of regeling van de in vraag 8 genoemde soort? Kunnen partijen in elk geval ieder aanspraak maken op een lichtere bewijslast, en zo ja, welke, of gelden voor hen eventueel verplichtingen, en zo ja, welke? Indien er verplichtingen gelden: wat zijn de gevolgen van niet-naleving?
10. Hebben de bepalingen van richtlijn 2007/46 van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007, met name artikel 18, lid 1, en artikel 3, punt 36, van deze richtlijn, eveneens tot doel om de individuele koper van een motorvoertuig in het bijzonder te beschermen tegen een aankoop van een motorvoertuig dat niet voldoet aan de vereisten van het Unierecht, waartoe de koper niet zou zijn overgegaan indien hij had geweten dat het voertuig niet voldeed aan de vereisten van het Unierecht, omdat hij de koop in dat geval niet had gewild?
11. Los van het antwoord op de voorafgaande vraag, is de fabrikant van een voertuig, ingeval hij de bepalingen van richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 of de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn heeft geschonden, met name het verbod om een onjuist certificaat van overeenstemming af te geven, krachtens het Unierecht altijd, althans in bepaalde gevallen, ertoe verplicht de koper volledig schadeloos te stellen voor de gevolgen van de op basis van die schending gedane aankoop van een voertuig dat niet voldoet aan de Unierechtelijke normen, dat wil zeggen om indien de koper zulks vordert – in voorkomend geval tegen gelijktijdige afgifte en eigendomsoverdracht van het voertuig en met verrekening van eventuele overige voordelen die de koper door de aankoop van het voertuig heeft verkregen – hem de kosten van de aankoop van het voertuig terug te betalen? Indien dit slechts in bepaalde situaties het geval is: welke situaties zijn dat dan?
12. Indien de elfde vraag ontkennend of enkel in bepaalde gevallen bevestigend moet worden beantwoord: is een beperking van de schadevordering van de koper van een voertuig dat niet voldoet aan de Unierechtelijke normen inzake de uitlaatemissies en/of de kwaliteit van het emissiecontrolesysteem, tot het bedrag waartegen de koper het voertuig, gelet op de aan het verboden manipulatie-instrument verbonden risico’s, te duur heeft aangeschaft, steeds verenigbaar met de vereisten van het Unierecht wanneer de fabrikant enkel door nalatigheid een onjuist certificaat van overeenstemming voor het voertuig heeft afgegeven waaruit blijkt dat het ten tijde van de productie ervan aan alle wetgevingshandelingen voldeed? Indien dit slechts in bepaalde situaties het geval is: welke situaties zijn dat dan?
13. Indien de twaalfde vraag bevestigend moet worden beantwoord: is een beperking van de schadevordering van de koper van een voertuig dat niet voldoet aan de Unierechtelijke normen inzake de uitlaatemissies en/of de kwaliteit van het emissiecontrolesysteem, tot het bedrag waartegen de koper het voertuig, gelet op de aan het verboden manipulatie-instrument verbonden risico’s, te duur heeft aangeschaft, evenwel met een maximum van 15 % van de aankoopprijs, steeds verenigbaar met de vereisten van het Unierecht wanneer de fabrikant enkel door nalatigheid een onjuist certificaat van overeenstemming voor het voertuig heeft afgegeven waaruit blijkt dat het ten tijde van de productie ervan aan alle wetgevingshandelingen voldeed? Indien dit slechts in bepaalde situaties het geval is: welke situaties zijn dat dan?
14. Kan de bevoegdheid van burgerlijke rechtbanken van een lidstaat van de Europese Unie in gevallen waarin voor een type motorvoertuig een EG-typegoedkeuring is verleend, om aan de koper van een motorvoertuig dat volgens de gegevens van de fabrikant op basis van die EG-typegoedkeuring is vervaardigd en in de handel gebracht, vorderingen tot schadevergoeding tegen die fabrikant toe te wijzen op grond dat het voertuig in kwestie door bepaalde omstandigheden niet voldoet aan de bepalingen van het Unierecht wegens niet-overeenstemming met het goedgekeurde type en/of wegens onwettigheid van de EG-typegoedkeuring zelf, zonder dat na afgifte van de EG-typegoedkeuring, op basis waarvan dit voertuig is vervaardigd en in de handel gebracht, een juridisch bindende verklaring van een van de in artikel 5, lid 2, tweede alinea, van verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 genoemde instanties is verkregen dat het voertuig in kwestie juist door die omstandigheden en om die redenen, te weten wegens niet-overeenstemming met het goedgekeurde type en/of wegens onwettigheid van de EG-typegoedkeuring zelf, niet voldoet aan de bepalingen van het Unierecht, vervallen of in ieder geval beperkt zijn?
15. Indien vraag 14 bevestigend moet worden beantwoord: In precies welke dergelijke gevallen en in precies welke mate is het burgerlijke rechtbanken van een lidstaat niet toegestaan om aan de koper van een motorvoertuig dat volgens de fabrikant op basis van die EG-typegoedkeuring is vervaardigd en in de handel is gebracht, vorderingen tot schadevergoeding tegen die fabrikant toe te wijzen op grond dat het voertuig in kwestie door bepaalde omstandigheden niet voldoet aan de bepalingen van het Unierecht wegens niet-overeenstemming met het goedgekeurde type en/of wegens onwettigheid van de EG-typegoedkeuring zelf?
16. Indien vraag 14 bevestigend moet worden beantwoord: Bevat het Unierecht bepalingen over de verdeling van de bewijslast, verlichting van de bewijslast en verplichtingen van de partijen in verband met de maatregelen van instructie met betrekking tot het bestaan van de voorwaarden waaronder een burgerlijke rechtbank van een lidstaat bevoegd is om aan de koper van een motorvoertuig een vordering tot schadevergoeding toe te wijzen op grond dat het voertuig in kwestie door bepaalde omstandigheden niet voldoet aan de bepalingen van het Unierecht wegens niet-overeenstemming met het goedgekeurde type en/of wegens onwettigheid van de EG-typegoedkeuring zelf, in een civielrechtelijk geschil tussen de koper van een motorvoertuig en de fabrikant daarvan over de schadevergoedingsplicht van de fabrikant jegens de koper?
17. Indien vraag 16 bevestigend moet worden beantwoord en voor zover het Unierecht dergelijke bepalingen bevat: Hoe moet de stelplicht volgens het Unierecht worden verdeeld? Hoe moet de bewijslast volgens het Unierecht worden verdeeld? Moet inzonderheid voor de ene of de andere partij rekening worden gehouden met een verlichting van de bewijslast? Zo ja, welke? Moet de ene of de andere partij in het kader van de bewijsvoering verplichtingen vervullen met betrekking tot de voorwaarden in kwestie? Zo ja, welke? Voor zover er verplichtingen moeten bestaan: welke rechtsgevolgen zijn volgens het Unierecht verbonden aan het niet nakomen van deze verplichtingen door een van beide partijen? 18. Kan de bevoegdheid van burgerlijke rechtbanken van een lidstaat van de Europese Unie, in gevallen waarin een juridisch bindende verklaring van een van de in artikel 5, lid 2, tweede alinea, van verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 genoemde instanties is verkregen dat een voertuig door bepaalde omstandigheden niet voldoet aan de bepalingen van het Unierecht wegens niet-overeenstemming met het goedgekeurde type en/of wegens onwettigheid van de EG-typegoedkeuring zelf, om een vordering tot schadevergoeding aan de koper van dit motorvoertuig tegen de fabrikant niet toe te wijzen op grond dat – anders dan in die juridisch bindende verklaring is gesteld – het motorvoertuig in kwestie feitelijk en/of rechtens wel in overeenstemming is met de voorschriften van het Unierecht, vervallen of in ieder geval beperkt zijn?
19. Indien vraag 18 bevestigend moet worden beantwoord: In precies welke dergelijke gevallen en in precies welke mate is het burgerlijke rechtbanken van een lidstaat niet toegestaan om een vordering tot schadevergoeding aan de koper van dit voertuig tegen de fabrikant ervan niet toe te wijzen op grond dat – anders dan in die juridisch bindende verklaring is gesteld – het motorvoertuig in kwestie feitelijk en/of rechtens wel in overeenstemming is met de voorschriften van het Unierecht? Meer in het bijzonder: betreft de beperking van de bevoegdheid van een burgerlijke rechtbank van een lidstaat in die gevallen met name enkel de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding op feitelijke gronden, enkel de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding op juridische gronden, of zowel de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding op feitelijke gronden als de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding op juridische gronden?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-128/20 GSMB Invest; C-100/21, Mercedes-Benz Group; C-693/18 CLCV e.a. (Manipulatie-instrument in dieselmotoren); C-134/20 Volkswagen.
Specifiek beleidsterrein: IenW; JenV