C-483/23 T Trust

Contentverzamelaar

C-483/23 T Trust

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:
Schriftelijke opmerkingen:                

Trefwoorden: trustgoederen, sancties, bevriezingsmaatregel, zeggenschap, uiteindelijk begunstigde

Onderwerp:

•            Besluit (GBVB) 2022/337 van de Raad van 28 februari 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen;

•            Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 476/2014 van de Raad van 12 mei 2014, als uitgevoerd bij uitvoeringsverordening (EU) 2022/336 van de Raad van 28 februari 2022;

•            Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie.

Feiten:

De verzoekende partijen A, B, C en D verrichten activiteiten van commerciële aard en zijn volledige dochtermaatschappijen van een op Bermuda gevestigde vennootschap, die op haar beurt is ondergebracht in een trust. De trust is ingesteld door een natuurlijke persoon (hierna: „insteller”) en wordt beheerst door het recht van de staat Bermuda. De trust heeft zowel een trustee, welke rol wordt vervuld door de vennootschap T, die tot taak heeft om de trustgoederen te beheren en te besturen in overeenstemming met de bepalingen van de trustakte, en om de ingebrachte goederen, bij het einde van de trust of in overeenstemming met die bepalingen, over te dragen aan de begunstigden, als een protector, een rol die is toevertrouwd aan een derde, een natuurlijke persoon, wiens taak het is om toezicht te houden op de juiste uitvoering van het vastgestelde programma van de trust. De insteller was aanvankelijk een van de begunstigden van de trust maar werd later van de trust uitgesloten.

Bij besluit van de Raad is de insteller opgenomen in de lijst van personen op wie de in die verordening vastgestelde maatregelen van toepassing zijn. Vervolgens heeft het bij, de verwerende partijen, het ministerie van Economie en Financiën ingestelde Comité voor financiële zekerheid overeenkomstig artikel 2 van verordening (EU) nr. 269/2014 en wetsbesluit nr. 109/2007 een maatregel vastgesteld tot “bevriezing” van de aandelen en goederen die eigendom zijn van de vennootschappen A, B, C en D (hierna: „bevriezingsmaatregel”), omdat die aandelen en goederen “indirect konden worden teruggevoerd op [de insteller]” als uiteindelijk begunstigde.

Overweging:

De verzoekende partijen voeren aan dat de bevriezingsmaatregel onrechtmatig is aangezien zij volledig buiten de invloedssfeer staan van de insteller. Door de vennootschap die zeggenschap over de verzoekende partijen uitoefent in de trust onder te brengen, is hun vermogen gescheiden van het vermogen van de insteller en, nadat de insteller van de begunstigden van de trust werd uitgesloten, overgedragen aan de trustee, vennootschap T. Op grond van de trustakte en het toepasselijke recht kan dus geen (rechtstreekse of indirecte) beheer- en bestuursbevoegdheid worden toegerekend aan de insteller, die zijn invloed niet langer kan uitoefenen. De verwerende partijen stellen dat de maatregel volledig rechtmatig is en voeren aan dat door de goederen en relaties in een trust onder te brengen, het verband tussen de insteller en die goederen en relaties niet volledig wordt onderbroken, aangezien daarbij geen overdracht plaatsvindt.

De verwijzende rechter twijfelt over de juiste uitlegging van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 269/2014; hij vraagt zich met name af of de in een trust ondergebrachte goederen, middelen en relaties kunnen worden geacht hoe dan ook „toe te behoren” aan de insteller, dan wel „toe te behoren” aan een (rechts)persoon die met de insteller verbonden of waarover die insteller uiteindelijk „zeggenschap” heeft, met als gevolg dat in het geval van goederen die door de aangewezen insteller in de trust zijn ondergebracht, de van artikel 2, lid 1, van verordening (EU) nr. 269/2014 bedoelde bevriezingsmaatregelen kunnen worden toegepast.

De door de insteller in een trust ondergebrachte goederen worden formeel op naam gesteld van de trustee, die ze bestuurt en beheert in overeenstemming met de trustakte en het toepasselijke recht. Hij krijgt dus beschikkingsbevoegdheid over het goed, het belangrijkste kenmerk van het eigendomsrecht, echter is dit geen volledige beschikkingsbevoegdheid. Deze rechtsfiguur heeft hoofdzakelijk tot doel het belang van de insteller te verwezenlijken, die daarmee de in de trust ondergebrachte goederen en rechten van zijn vermogen afscheidt, die samen met de formele rechtstitel overgaan op de trustee, terwijl de trustgoederen eveneens gescheiden blijven van het vermogen van de trustee. Het in een trust ondergebrachte goed blijft dus, ten minste tot de definitieve overdracht aan de begunstigden, „toebehoren” aan de insteller. Met het oog op een maatregel tot bevriezing van het goed is dus in elk geval tot het aan de begunstigden wordt overgedragen voldaan aan de voorwaarde van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 269/2014 dat het goed „toebehoort” aan de aangewezen persoon. De verwijzende rechter onderstreept dat de band van „toebehoren” tussen het trustgoed en de insteller niet definitief wordt verbroken na de goederen in de trust te hebben ondergebracht. Volgens artikel 3, punt 6, onder b), van richtlijn 2015/849 geldt in geval van trusts dat de insteller, samen met in die bepaling genoemde gekwalificeerde personen, „uiteindelijk begunstigde” is. Daarnaast wordt artikel 3, punt 6, onder b), punt v), de mogelijkheid genoemd dat „door directe of indirecte eigendom [...], uiteindelijke zeggenschap over de trust” wordt uitgeoefend.

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 2, [lid] 1, van verordening (EU) nr. 269/2014 aldus worden uitgelegd dat de maatregel van bevriezing ook kan worden vastgesteld in geval van goederen of middelen die in een trust zijn ondergebracht door een in bijlage I bij de verordening vermelde insteller (aangewezen of op de lijst geplaatste persoon), die moet worden beschouwd als de persoon aan wie de goederen of middelen toebehoren?

2) Indien vraag 1) ontkennend wordt beantwoord: Moet artikel 2 lid 1, van verordening (EU) nr. 269/2014 aldus worden uitgelegd dat de maatregel van bevriezing ook kan worden vastgesteld in geval van goederen of middelen die in een trust zijn ondergebracht door een in bijlage I bij de verordening vermelde insteller (aangewezen of op een lijst geplaatste persoon), die moet worden beschouwd als een persoon die verbonden is met de persoon aan wie de goederen of middelen toebehoren?

3) Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord: Moet artikel 2, lid 1, van verordening (EU) nr. 269/2014 aldus worden uitgelegd dat de maatregel van bevriezing ook kan worden vastgesteld in geval van goederen of middelen die in een trust zijn ondergebracht door een in bijlage I bij de verordening vermelde insteller (aangewezen of op de lijst geplaatste persoon), die moet worden beschouwd als de persoon die zeggenschap heeft over de goederen of middelen?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Marine Harvest, C-10/18 P.

Specifiek beleidsterrein: BZ, JenV, EZK

Gerelateerde documenten